Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:14268
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,717 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.28144
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser
geboren op [datum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eerdere beroepen tegen het opleggen dan wel het voortduren van deze maatregel zijn ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2023 op zitting behandeld. Eisers
gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al viermaal eerder heeft getoetst. Uit de meest recente uitspraak van 15 augustus 2023 (zaaknummer NL23.22389) volgt dat de maatregel van bewaring tot op het moment van sluiten van het onderzoek dat die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 11 augustus 2023.
3. Namens eiser is – samengevat – aangevoerd dat niet is gebleken van voldoende voortvarend handelen. De laissez-passer (lp) aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten is inmiddels zeven maanden geleden verstuurd. De staatssecretaris verstuurt vervolgens alleen de standaard schriftelijke rappels, ondanks dat eiser op 21 juli 2023 een Algerijns kopie-paspoort en een (beter) kopie rijbewijs heeft overgelegd. Uit de voortgangsrapportage en de vertrekgesprekken blijkt niet dat de staatssecretaris op individueel niveau enige actie heeft ondernomen gericht op de Algerijnse nationaliteit. Dat mag gelet op de lange duur van het lp-traject en de overgelegde documenten wel worden verwacht. Volgens eiser blijft verweerder ten onrechte vasthouden aan de Marokkaanse nationaliteit. Eiser voert verder aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting van eiser naar Marokko, nu uit de door eiser overgelegde documenten blijkt dat eiser niet de Marokkaanse nationaliteit maar de Algerijnse nationaliteit bezit. Bovendien is er geen zicht op uitzetting naar Algerije omdat de Algerijnse autoriteiten niet meewerken aan overdrachten.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko op redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank mag de staatssecretaris er op dit moment nog steeds van uitgaan dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft immers geen originele documenten overgelegd die aantonen dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. Uit de voortgangsrapportage blijkt en ter zitting is namens de staatssecretaris ook naar voren gebracht dat de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten alleen is ingediend om eiser te helpen zijn gestelde identiteit en nationaliteit te onderbouwen. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt, zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:747). De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover op dit moment anders te oordelen. Daarbij betrekt de rechtbank ook de door de staatssecretaris ter zitting verstrekte gegevens over de periode 1 januari 2023 t/m 31 juli 2023. Hieruit blijkt dat er 276 lp-aanvragen zijn ingediend bij de autoriteiten van Marokko, dat er 117 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven, dat er 80 lp’s zijn verstrekt en dat er 51 gedwongen uitzettingen met behulp van een lp hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko voor eiser in het bijzonder ontbreekt.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Uit de voortgangsrapportage leidt de rechtbank af dat de lp-aanvraag op 14 februari 2023 naar de Marokkaanse autoriteiten is verstuurd. Op 1 maart 2023 is ook een lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verstuurd. De lp-aanvragen bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten lopen ook nog steeds en de staatssecretaris heeft voor het laatst op 1 september 2023 gerappelleerd op beide aanvragen. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat op 23 augustus 2023 telefonisch is gerappelleerd in alle lopende lp-aanvragen bij het Marokkaanse consulaat in Amsterdam. Eisers zaak valt hier ook onder. Tot slot is er op 30 augustus 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank sinds sluiting van het onderzoek in de vorige procedure voldoende concrete handelingen verricht en daarmee voldoende voortvarend gehandeld.
5. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.