Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:14245
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,632 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27535
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [datum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2023 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
(lichte gronden)
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
2. Eiser is, aansluitend op strafrechtelijk detentie, op 4 september 2023 om 13:35 uur opgehouden voor bewaring. Volgens eiser heeft de overbrenging na afloop na afloop van zijn strafrechtelijke detentie vanuit Ter Apel naar Groningen langer geduurd dan strikt noodzakelijk. Eiser is immers pas om 13:35 uur aangekomen in Groningen. Het is onduidelijk hoe laat eisers strafrechtelijke detentie is geëindigd, maar normaliter worden gedetineerden in de ochtend tussen 08:00 uur en 09:00 uur in vrijheid gesteld.
2.1.
De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zoals neergelegd in de uitspraak van 31 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AS2587) volgt dat een totale duur van de overbrenging van een vreemdeling, inclusief eventuele wachttijd, van maximaal 10 uur als redelijk kan worden aangemerkt en dat de staatssecretaris daarbinnen de duur van de overbrenging niet nader hoeft te motiveren. Nu de overbrenging in het onderhavige geval de duur van 10 uur niet heeft overschreden was verweerder niet gehouden de duur van de overbrenging te motiveren. Het betoog van eiser faalt
Grondslag
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen, nu eiser op 14 december 2022 een terugkeerbesluit heeft ontvangen. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod van 2 jaar opgelegd. Eiser heeft hier tot op heden geen gehoor aan gegeven en geniet daarom geen rechtmatig verblijf.
Gronden
4. De rechtbank overweegt dat de gronden 3a, 3b, 4b, 4c, en 4d feitelijk juist zijn en, in samenhang gezien met de in de maatregel gegeven motivering, voldoende grondslag vormen voor het standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert. Eiser heeft verklaard niet in het bezit te zijn van een identiteitsdocument (3a) en heeft geen mededeling gedaan van zijn onrechtmatige verblijf (3b). Daarnaast heeft eiser meerdere asielaanvragen gedaan, namelijk op 23 november 2020 en op 12 mei 2022 (4b). Ook stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft, nu eiser niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en hij niet op andere wijze heeft aangetoond over een vaste woon- of verblijfsplaats in Nederland te beschikken (4c). Daarnaast beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan, nu hij heeft aangegeven dat hij de beschikking heeft over een contant geldbedrag van ongeveer 4,00 euro (4d). De overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd laat de rechtbank onbesproken.
Lichter middel
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser waaruit blijkt dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst, is de staatssecretaris er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
5.1.
De rechtbank stelt daarbij vast dat de staatssecretaris de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De staatssecretaris heeft immers aangeven dat er een medische dienst aanwezig is in het detentiecentrum die zal beoordelen in hoeverre eiser medische zorg nodig heeft. Verder heeft de staatssecretaris in de maatregel terecht gemotiveerd dat in het detentiecentrum medische en psychische voorzieningen aanwezig zijn, die gelijk zijn aan de voorzieningen in de vrije maatschappij en dat eiser in bewaring toegang heeft tot deze (gespecialiseerde) zorg.
5.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674). Dat, zoals namens eiser op de zitting is aangevoerd, hij in honger- en dorststaking is geweest vanwege de slechte omstandigheden in het Detentiecentrum Rotterdam en dat hij in isolatie heeft gezeten, maakt dat niet anders. Eiser kan daarover zijn beklag doen bij de directie van de inrichting.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
6. Namens eiser is – samengevat – aangevoerd dat de staatssecretaris de inspanningsverplichting heeft geschonden door tijdens zijn strafrechtelijke detentie onvoldoende voortvarend te handelen. Verder is namens eiser gesteld dat er geen sprake is van zicht op uitzetting van eiser naar Marokko, nu uit de door eiser overgelegde documenten volgens hem blijkt dat hij niet de Marokkaanse nationaliteit maar de Algerijnse nationaliteit bezit. Er is geen zicht op uitzetting naar Algerije omdat de Algerijnse autoriteiten niet meewerken aan overdrachten.
6.1.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de inspanningsverplichting en voortvarendheid als volgt. Volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (VC 2000) is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden.
6.2.
Eiser heeft in strafrechtelijke detentie gezeten vanaf 30 december 2022 tot 4 september 2023. Op 2 januari 2023 is aan eiser een M122-formulier uitgereikt, waarin is aangegeven dat hij na zijn strafrechtelijke hechtenis zou worden overgedragen aan de Vreemdelingenpolitie. Op 15 maart 2023 is een aanvullend terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt. Vervolgens zijn op 22 maart 2023 vingerafdrukken bij eiser afgenomen en daaropvolgend is op 18 april 2023 een aanvraag tot het verstrekken van een laissez passer (lp) verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Tussentijds heeft er op 5 april 2023 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat ten aanzien van de lopende lp aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten op 7 juni 2023 schriftelijk is gerappelleerd.
Conclusie
7. Concluderend is de rechtbank niet gebleken dat een - uit het Unierecht voortvloeiende - voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Hetgeen namens eiser verder naar voren is gebracht, geeft ook geen aanleiding om thans de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.