Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:14143
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,000 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27646
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [datum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
alias:
[naam] , eiser,
geboren op [datum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 januari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 juli 2023 (in de zaak NL23.19187) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 14 juli 2023
3. Eiser voert aan dat hij inmiddels zeven maanden in vreemdelingenbewaring zit en nog steeds niet is uitgezet naar Marokko. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de door de staatssecretaris overgelegde voortgangsrapportage van 5 september 2023 volgt dat op 4 september 2023 door de Marokkaanse autoriteiten een laissez-passer (lp) is afgegeven voor eiser. Op 6 september 2023 is dit tijdens een vertrekgesprek aan eiser medegedeeld. Verder volgt uit het dossier dat de staatssecretaris op 7 september 2023 een vluchtaanvraag voor eiser heeft ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris meegedeeld dat er voor 19 september 2023 een vlucht naar Marokko is geboekt voor eiser en is bevestigd.
4.1.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is of dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.