Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:14037
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,206 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.22554
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De staatssecretaris heeft deze aanvraag in het bestreden besluit van 7 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 12 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over de verantwoordelijkheid voor het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In deze zaak heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Medische omstandigheden
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft ernstige medische aandoeningen, waaronder een chronische nierziekte stadium 3 en chronische hepatitis B. Medische behandeling is noodzakelijk. Eiser is ook medisch behandeld in Duitsland, maar die medische behandeling is gestopt nadat eisers asielaanvraag was afgewezen. De staatssecretaris stelt daarom ten onrechte dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden aangenomen dat eiser in Duitsland medisch zal worden behandeld. Verder doet eiser een beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië. De staatssecretaris miskent dat overdracht aan Duitsland aanzienlijke gevolgen voor eiser heeft nu eiser in Duitsland niet voor zijn (chronische) aandoeningen wordt behandeld.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De staatssecretaris mag er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat eiser in Duitsland voor zijn aandoeningen medisch zal worden behandeld. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat dit niet zo is. Weliswaar is eiser in Duitsland uitgeprocedeerd waardoor hij - net als in Nederland het geval is - geen recht meer heeft op (medische) voorzieningen, maar dat betekent niet dat de staatssecretaris niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Zoals eiser op zitting heeft aangegeven, wordt in Duitsland in ernstige medische (nood)situaties wel medische zorg verleend. Daarnaast is niet gesteld en ook niet gebleken dat in Duitsland geen mogelijkheid bestaat tot het aanvragen van (een equivalent van) uitstel van vertrek op medische gronden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verstoken zal blijven van de noodzakelijke medische behandeling.
5.2.
Uit het arrest C.K. tegen Slovenië en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat eiser met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht voor zijn gezondheid moet aantonen, in die zin dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris stelt terecht dat eiser dat met de door hem overgelegde Duitse medische stukken van 9 maart 2021 en 19 januari 2022 niet heeft gedaan. In deze stukken wordt niet ingegaan op de gevolgen voor eiser van een overdracht aan Duitsland. Dat geldt ook voor het compleet patiëntdossier dat eiser in beroep heeft overgelegd. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie als bedoeld in voornoemd arrest. De beroepsgrond slaagt niet.
Dreigende detentie en ontbreken rechtsbijstand
6. Eiser voert aan dat de kans reëel is dat hij na overdracht aan Duitsland wordt gedetineerd. In die positie is er geen of een geringe kans op rechtsbijstand tijdens een nieuwe asielaanvraag. De staatssecretaris stelt ten onrechte dat eiser daarover in Duitsland moet klagen nu er in die situatie geen of beperkte rechtsbijstand is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers betoog niet. De staatssecretaris stelt terecht dat de algemene vrees van eiser om in Duitsland te worden gedetineerd niet afdoet aan de Duitse verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag, daaronder begrepen de verwijdering van eiser uit Duitsland. Hierbij is van belang - zoals de staatssecretaris terecht stelt - dat de Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van het in bewaring stellen van personen in Duitsland. Dat Duitsland zich niet aan die richtlijnen houdt is niet gesteld en ook niet gebleken.
6.2.
Verder heeft eiser niet onderbouwd dat de wijze waarop de verlening van rechtsbijstand in Duitsland is geregeld in strijd is met de bepalingen over (kosteloze) rechtsbijstand in de Procedurerichtlijn. Over het Duitse systeem van rechtsbijstand heeft deze rechtbank en zittingsplaats al eerder geoordeeld dat er op dit punt geen strijd is met de Procedurerichtlijn. Weliswaar zal het voor eiser zonder rechtsbijstand lastiger zijn om een klacht in te dienen bij de Duitse autoriteiten, maar dit betekent niet dat de staatssecretaris niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Tot slot overweegt de rechtbank dat de algemene stelling dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt. De staatssecretaris is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de staatssecretaris daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is verder niet bespreken.
8. Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lok, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580
uitspraak van 14 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1644