Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:13847
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16412
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Jemenitische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om overname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser stelt in beroep dat niet van hem verwacht kan worden dat hij na gedwongen terugkeer naar Roemenië aldaar dient te klagen over het feit dat hij vingerafdrukken moest afstaan en een asielverzoek zou hebben ingediend. Overigens voert hij het volgende aan. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Roemenië houdt zich niet aan de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Er is sprake van structurele pushbacks door Roemenië, welke moeten worden opgevat als een systeemfout in de asielprocedure. Dit maakt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hij heeft daartoe een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, overgelegd. Verder heeft hij last van nierstenen en kan hij als asielzoeker in Roemenië de benodigde medisch zorg niet krijgen. Ook is het niet nodig om medische documenten over te leggen, nu verweerder de medische klachten niet ongeloofwaardig heeft geacht. Tot slot heeft verweerder in het voornemen niets overwogen over de medische omstandigheden, waardoor de overwegingen in het bestreden besluit tardief zijn. Eiser is een feitelijke instantie ontnomen en dit is in strijd met artikel 39 van de Vreemdelingenwet.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Het uitgangspunt is verder dat verweerder ten aanzien van Roemenië in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hier niet langer vanuit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. Zoals verweerder in het bestreden besluit uitwijst leidt het feit dat van eiser vingerafdrukken zijn afgenomen niet tot de conclusie dat ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Roemenië heeft in deze gewoon voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ter zake. Indien eiser van mening is dat hij onrechtmatig is behandeld bij de afname van zijn vingerafdrukken, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten in Roemenië. Het is de rechtbank niet gebleken dat klagen op voorhand zinloos of onmogelijk is.
6. Vast staat dat in Roemenië sprake is van pushbacks en dit wordt in zijn algemeenheid aangemerkt als een fundamentele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. De enkele omstandigheid dat in een lidstaat pushbacks plaatsvinden is echter op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat Roemenië zich ten aanzien van Dublinclaimanten niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Eiser is er niet in geslaagd om concrete aanknopingspunten te leveren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij als Dublinterugkeerder ook een reëel risico loopt om door middel van een pushbacks vanuit Roemenië te worden doorgestuurd naar een derde land, zonder dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft kunnen indienen en een asielprocedure heeft kunnen doorlopen. Het rapport van KlikAktiv, dat eiser bij de zienswijze heeft overgelegd, biedt hiervoor ook onvoldoende aanknopingspunten. Dit rapport maakt immers slechts melding van enkele gevallen en deze zijn niet van voldoende concreet bewijs voorzien om te kunnen concluderen dat er sprake is van systematische pushbacks van Dublinclaimanten. De rechtbank volgt hiermee dan ook niet de door eiser overgelegde uitspraak van zittingsplaats Utrecht.
7. De rechtbank acht het voornemen niet in strijd met artikel 39 van de Vreemdelingenwet. Verweerder heeft in het voornemen immers overwogen dat alleen medische aspecten op zichzelf niet voldoende zijn om te spreken van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. Verder heeft verweerder benoemd dat volgens het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Roemenië van vergelijkbare kwaliteit zijn als de voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan van eiser. Het is aan eiser om zijn medische klachten te onderbouwen, zodat verweerder deze kan meenemen in de beoordeling. Eiser heeft echter geen (medische) stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij onder medische behandeling staat of dat Nederland het meest aangewezen land is om zijn gestelde medische klachten te behandelen. De rechtbank ziet dan ook niet in hoe eiser een feitelijke instantie is ontnomen, nu eiser zijn klachten ook niet heeft onderbouwd. Verweerder gaat er terecht van uit dat eiser eventuele nodige medische zorg in Roemenië kan krijgen.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Uitspraak van 1 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12389.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:110.
Uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022,ECLI:NL:RVS:2022:1042.