Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:13806
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,529 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1102
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).
Inleiding
In het besluit van 13 mei 2022 (primair besluit I) heeft het UWV vastgesteld dat de uitkering die eiseres ontvangt op grond van de Ziektewet (ZW), over de periode van 1 maart 2022 tot en met 24 april 2022 (gedeeltelijk) ten onrechte aan haar is betaald, omdat zij vanaf 1 maart 2022 inkomsten uit arbeid heeft. Het UWV heeft vastgesteld dat het gaat om een bedrag van € 1.179,77 bruto aan te veel betaalde uitkering en vordert dit bedrag terug.
In besluit van 15 juni 2022 (primair besluit II) heeft het UWV vastgesteld dat de ZW-uitkering van eiseres over de periode van 25 april 2022 tot en met 22 mei 2022 (gedeeltelijk) ten onrechte aan haar is betaald, omdat zij vanaf 25 april 2022 inkomsten uit arbeid heeft. Het UWV heeft vastgesteld dat het gaat om een bedrag van € 241,77 bruto aan te veel betaalde uitkering en vordert dit bedrag terug.
In het besluit van 5 oktober 2022 (primair besluit III) heeft het UWV medegedeeld dat er vanaf december 2022 elke maand een bedrag van € 570,96 wordt ingehouden op de uitkering van eiseres.
In de beslissing op bezwaar van 3 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I en II ongegrond verklaard en tegen primair besluit III gegrond.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiseres is voor het laatst werkzaam geweest als uitzendkracht en heeft zich op 7 oktober 2021 ziekgemeld. Het UWV heeft per die datum aan eiseres een ZW-uitkering toegekend (beslissing van 21 maart 2022).
2. Het UWV heeft vervolgens de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt het UWV
3. Het UWV heeft afgezien van een hoorzitting omdat het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond is voor zover gericht tegen primair besluit I en II, en omdat haar bezwaar tegen primair besluit III gegrond is verklaard.
4. Volgens het UWV blijkt uit de stukken, in het bijzonder uit de beslissingen van 4 mei 2022 en 3 juni 2022, dat de ZW-uitkering over de periode van 1 maart 2022 tot en met 24 april 2022 en van 25 april 2022 tot en met 22 mei 2022 is verlaagd vanwege inkomsten uit werk die op de uitkering moeten worden gekort. Omdat het UWV de rechtsplicht heeft al wat onverschuldigd betaald is terug te vorderen, berusten primair besluit I en II op een juiste grondslag.
5. Met betrekking tot primair besluit III vindt het UWV dat er ten onrechte geen of onvoldoende betekenis is gegeven aan de beslissing van 21 maart 2022 waarin alsnog is besloten een ZW-uitkering toe te kennen per 7 oktober 2021. Uit de stukken bleek dat nog niet volledig uitvoering was gegeven aan die beslissing, in die zin dat nog geen (na-)betaling had plaatsgevonden over de periode van 7 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2021. Primair besluit III is daarom herzien, in die zin dat het bedrag van € 1.862,76 is verlaagd met die (na-)betaling. Hierdoor komt de hoogte van wat onverschuldigd is betaald uit op een bedrag van € 1.476,98 (€ 1.179,77 + € 241,77 + € 55,44).
Wat vindt eiseres
6. Eiseres is het niet eens met het UWV. Allereerst verzoekt zij om dat wat in bezwaar is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de hoor- en motiveringsplicht. Daarnaast blijft de hoogte van de onverschuldigde betaling onduidelijk. Verder stelt eiseres dat er een proceskostenvergoeding van € 597,- in plaats van € 541,- had moeten worden toegekend.
Wat vindt de rechtbank
7. Met betrekking tot het verzoek van eiseres om alles wat in bezwaar is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, oordeelt de rechtbank dat een dergelijk verzoek, zonder daarbij aan te geven in hoeverre de reactie van het UWV daarop tekortschiet, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waarover de rechtbank zich moet uitlaten. De rechtbank spreekt zich dan ook alleen uit over de door eiseres in beroep aangevoerde tekortkomingen van het bestreden besluit.
Hoor- en motiveringsplicht
8. Volgens eiseres is het bestreden besluit genomen zonder haar het dossier toe te sturen, zonder haar de gelegenheid te geven aanvullende gronden in te dienen naar aanleiding van het dossier, zonder een berekening van de terugvordering en zonder haar te horen.
9. Ter zitting erkent de gemachtigde van het UWV dat de hoorplicht is geschonden. Ook geeft de gemachtigde van het UWV ter zitting aan dat zij eiseres gelooft wat betreft het niet toezenden van de stukken.
10. De rechtbank is van oordeel dat aan de besluitvorming in bezwaar een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Het gebrek is hersteld doordat er in de beroepsfase een zitting heeft plaatsgevonden en eiseres alsnog van alle stukken heeft kunnen kennisnemen. Niet is gebleken dat eiseres door het gebrek in het bestreden besluit is benadeeld. Ook zonder het gebrek was een besluit met gelijke uitkomst genomen. Dit maakt dat de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeert.
Terugvorderingsbedrag
11. Volgens eiseres is de onduidelijkheid over de hoogte van de onverschuldigde betaling, het terugvorderingsbedrag, na het nemen van het bestreden besluit vergroot. In een beslissing van 6 januari 2023 wordt een terugvorderingsbedrag genoemd van € 1.569,61 in plaats van € 1.476,98 – het bedrag dat in het bestreden besluit genoemd wordt – en resteert na aftrek van de proceskostenvergoeding nog een bedrag van € 1.082,95.
12. Na de toelichting van de gemachtigde van het UWV ter zitting geeft eiseres aan dat zij de hoogte van de terugvordering niet meer betwist. Omdat door die toelichting de berekening van het bedrag van de terugvordering voor haar inzichtelijk is geworden, heeft zij daarop deze beroepsgrond ingetrokken.
Proceskostenvergoeding
13. Het UWV heeft beaamd dat er onjuiste proceskostenvergoeding is toegekend. Eiseres had recht op een proceskostenvergoeding van € 597,- in plaats van € 541,-. Het UWV heeft aangegeven dat zij dit zal aanpassen.
14. De rechtbank stelt vast dat eiseres recht heeft op € 597,- aan proceskostenvergoeding voor de kosten in de bezwaarfase. Aangezien het UWV geen gewijzigde beslissing op bezwaar genomen heeft waarin het juiste bedrag aan proceskostenvergoeding is vermeld, zal de rechtbank op dit punt het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien.
Conclusie
15. Het UWV heeft terecht bepaald dat aan eiseres een bedrag van € 1.476,98 aan ZW-uitkering onverschuldigd is betaald en dat dit bedrag dient te worden teruggevorderd.
16. Het beroep van eiseres is gedeeltelijk gegrond. Daarnaast is artikel 6:22 Awb van toepassing. De rechtbank ziet daarom aanleiding het UWV te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1). Daarnaast dient het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft en bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats komt;
- stelt de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase vast op € 597,-;
- bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2023 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. Kroon, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.