Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:13745
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,037 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20161
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , v-nummer [nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Pals),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2023 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De staatssecretaris heeft aan verzoekster meegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Dat betekent dat verzoekster nog tijdens de behandeling van het beroep aan Kroatië kan worden overgedragen. Verzoekster heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet aan Kroatië mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist. In deze procedure is (onder meer) aan de orde of de staatssecretaris voor Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken van 13 april 2022 geoordeeld dat sprake is van concrete aanknopingspunten dat de staatssecretaris voor Kroatië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en heeft de staatssecretaris de opdracht gegeven nader onderzoek te doen. Verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank hebben daarna onderling afwijkend geoordeeld over de vraag of inmiddels wel weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In deze zittingsplaats zal die vraag door een meervoudige kamer worden behandeld. In afwachting van de uitkomst van die procedure wijst de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster toe.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoekster toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet aan Kroatië mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 837, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet aan Kroatië mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit beroep loopt bij deze rechtbank en zittingsplaats onder zaaknummer NL23.20160.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043 en ECLI:NL:RVS:2022:1042.