Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:13490
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/7998
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.S.K. Jap A Joe),
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, namens deze; procesvertegenwoordiging IND, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Talsma).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 9 december 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 29 november 2021 tot afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 30 november 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de heer [referent 1] en mevrouw [referent 2] (referenten) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. Eiser heeft op 29 november 2021 een visum voor kort verblijf aangevraagd om de heer [referent 1] en mevrouw [referent 2] (referenten) te bezoeken. Eiser is een achterneef van referent.
3. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef onder ii, en onder b, van de Visumcode. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Verder bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van sociale en economische binding met Marokko.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de in rechtsoverweging 3 genoemde gronden. Eiser heeft volgens verweerder de relatie met referent niet met stukken aannemelijk gemaakt en zijn verblijfsomstandigheden onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
5. Eiser voert aan dat het hij wel het doel van zijn verblijf heeft aangetoond: hij komt zijn familie in Nederland bezoeken om kennis te maken met Nederland. Verder heeft eiser de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf duidelijk gemaakt: hij verblijft bij referent. Eiser voert aan dat verweerder teveel informatie vraagt voor een eenvoudig bezoek aan Nederland.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 14 van de Visumcode volgt dat de bewijslast bij eiser ligt om aan te tonen dat hij aan de vereisten voor het gevraagde visum voldoet. Eiser heeft het visum aangevraagd met als doel familiebezoek. Het is gezien de bewijslastverdeling dus aan eiser om het doel van zijn verblijf aan te tonen en stukken te overleggen die de relatie tussen hem en referenten aantonen. Dit heeft eiser niet gedaan. De rechtbank acht het, gezien het door eiser opgegeven reisdoel, niet onredelijk dat verweerder aan eiser vraagt om zijn familiebanden te onderbouwen.
7. De rechtbank stelt vast dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode genoemde redenen ieder afzonderlijk voldoende zijn om een visum te weigeren. De door verweerder toegepaste afwijzingsgrond draagt de beslissing tot afwijzing van de aanvraag zelfstandig, waardoor de andere door verweerder toegepaste afwijzingsgronden (en de daartegen gerichte beroepsgronden) niet meer besproken hoeven te worden.
8. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten aanzien van directe familieleden van eiser wel visa kort verblijf heeft verstrekt. Deze enkele stelling verandert de beslissing van de rechtbank niet omdat eiser zijn stelling niet met stukken heeft onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg is gelegen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.