Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:13465
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7348
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand
(gemachtigde: G. van Dort).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van de bijdrage in de kosten van een advocaat.
1.1
Bij besluit van 6 mei 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijdrage in de kosten van een advocaat van eiser ingetrokken. Bij besluit van 4 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zitting was op 6 september 2023. Eiser was niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de bijdrage in de kosten van een advocaat van eiser ingetrokken, omdat is gebleken dat het gezamenlijk inkomen van eiser en zijn partner boven de wettelijke grens ligt om voor deze bijdrage in aanmerking te komen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt, kort samengevat, dat zijn partner in de loop van het peiljaar bij hem in is getrokken en dat het daarom niet redelijk is dat verweerder haar volledige inkomen in aanmerking heeft genomen bij de berekening van hun gezamenlijk inkomen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het gezamenlijk inkomen de wettelijke grens slechts met een beperkt bedrag overschrijdt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder bij de vaststelling van het inkomen in de eerste plaats uit moet gaan van het inkomensgegeven zoals dat is vastgesteld door de belastingdienst. Verweerder is niet bevoegd het inkomensgegeven aan te passen. Het betoog van eiser dat verweerder niet in redelijkheid het volledige inkomen van zijn partner bij de vaststelling van het gezamenlijk inkomen in aanmerking heeft kunnen nemen, slaagt daarom niet.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het gezamenlijk inkomen de wettelijke grens slechts met een beperkt bedrag overschrijdt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de Wet op de rechtsbijstand geen mogelijkheid laat om het terug te vorderen bedrag te matigen in gevallen waarin de wettelijke inkomensgrens slechts met een beperkt bedrag wordt overschreden. Dat het bedrag dat eiser hierdoor zelf aan advocaatkosten moet betalen aanzienlijk hoger is dan het bedrag waarmee zijn inkomen de wettelijke grens overschrijdt, zoals door eiser is benadrukt, maakt dat niet anders. Verweerder heeft erop gewezen dat met deze grens de rechtszekerheid is gediend. Immers aanvragers van wie het inkomen de wettelijke grens slechts met een beperkt bedrag overschrijdt weten dat een aanvraag om toevoeging zal worden afgewezen en daarom geen aanvraag indienen omdat toewijzing daarvan op voorhand kansloos is. Het betoog van eiser slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van die wet.