Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:12725
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,304 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22014
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. M.J. van der Vlis), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 25 mei 20231 volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 24 mei 2023 rechtmatig was.
Verweerder heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier een reactie op gegeven. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eiser heeft desgevraagd gereageerd op het verweerschrift.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 augustus 2023 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997.
2. De rechtbank oordeelt over het zicht op uitzetting naar Marokko als volgt. In beginsel is dit zicht aanwezig. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022 en
1. ECLI:NL:RBDHA:2023:9789.
16 mei 20232. De enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvraag van verweerder tot verstrekking van een laissez passer (lp) ten behoeve van de uitzetting van eiser naar Marokko, is onvoldoende om te oordelen dat die uitzetting geen doorgang meer zal vinden.
3. Dat hij naast dit gedwongen uitzettingstraject probeert om zijn uitreis naar Marokko via de IOM te regelen, laat onverlet dat hij op voldoende wijze invulling moet geven aan zijn verplichting om met verweerder mee te werken aan zijn gedwongen uitzetting. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat eiser hieraan niet heeft voldaan. Van hem mocht namelijk verwacht worden dat hij de documenten die hij heeft gestuurd naar de IOM ook ter beschikking van verweerder zou stellen. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij het verzoek daartoe van verweerder kinderachtig en verwarrend vond. De documenten betreffen namelijk – naar eigen zeggen van eiser – een (kopie van zijn) geboorteakte met een uittreksel uit het geboorteregister. Deze documenten zijn evident relevant ter onderbouwing van de lp-aanvraag van verweerder ten behoeve van de voorgenomen gedwongen uitzetting van eiser.
4. Bij de rechterlijke toets of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, dient de rechtbank het geheel aan handelingen ter voorbereiding van de uitzetting in ogenschouw te nemen. Verweerder voert met regelmaat vertrekgesprekken met eiser (laatstelijk op 27 juli 2023) en rappelleert ook met regelmaat bij de Marokkaanse autoriteiten (laatstelijk op 21 juli 2023). Het is niet gebleken dat verweerder de uitzetting van eiser heeft kunnen bespoedigen door méér of andere handelingen te verrichten. De rechtbank oordeelt dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
5. Er is onverkort een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdeling zal onttrekken. Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Terecht heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is. Hieruit vloeit voort dat er geen aanleiding is om een proceskostenveroordeling toe te kennen.
Dictum
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring onverkort rechtmatig is.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier.
2 ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ECLI:NL:RVS:2023:1968.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 augustus 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.