Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:12459
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,620 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/8128
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 augustus 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer [nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.C.A. de Kruif),
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker vanwege de afwijzing van zijn aanvraag om een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2023 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Verzoeker heeft gesteld dat hij tijdens de zomervakantie van 2023 naar Nederland wil reizen en dat hij op woensdag 2 augustus 2023 door zijn tante van Teheran naar Istanbul zal worden gebracht, waarna hij op woensdag 23 augustus 2023 met zijn moeder, die in Nederland woont, zal doorreizen naar Nederland. De voorzieningenrechter is reeds daarom van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht toestemming te geven om Nederland in reizen en daarmee impliciet het gevraagde visum voor kort verblijf aan hem te verlenen. Alleen dan kan en zal volgens hem de Nederlandse ambassade in Teheran of het consulaat in Istanbul een visum voor kort verblijf aan hem verstrekken.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat toewijzing van het verzoek feitelijk geen voorlopig karakter heeft. Uit het systeem van de toepasselijke voorschriften volgt dat een vreemdeling in zijn land van herkomst een visum voor kort verblijf moet aanvragen en ophalen, voordat hij het Schengengebied (en dus ook Nederland) kan inreizen. Als de voorlopige voorziening wordt toegewezen, zal verzoeker Nederland kunnen inreizen. Daarmee ontstaat feitelijk de situatie die verzoeker met zijn aanvraag heeft beoogd (namelijk: toegang tot Nederland). De minister moet dan nog beslissen op het bezwaar van verzoeker, waarbij de vraag speelt of hij verzoeker terecht het visum en daarmee de toegang tot Nederland heeft geweigerd. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan ook onomkeerbaar. Dat alleen al is in beginsel aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening niet toe te wijzen.
5.1.
Het voorgaande is alleen anders als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, die maken dat de voorzieningenrechter moet bepalen dat de minister verzoeker gedurende de bezwaarfase moet beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daar in deze zaak geen sprake van. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoeker om zijn moeder in Nederland te bezoeken, zeker omdat verzoeker zijn moeder slechts enkele keren per jaar kan zien en hij zijn reis al helemaal heeft voorbereid door onder meer tickets voor de vlucht naar Nederland aan te schaffen. In dat geval begrijpt de voorzieningenrechter dat het vervelend is dat de minister de visumaanvraag – in de ogen van verzoeker – onvoldoende gemotiveerd afwijst, terwijl verzoeker stelt alle benodigde gegevens te hebben overgelegd, nota bene met de hulp van een professionele organisatie. Dit alles is echter geen reden om het verzoek desondanks toe te wijzen. Het is spijtig dat verzoeker zijn moeder slechts enkele keren per jaar kan zien. Uit het dossier blijkt echter niet dat de afwijzing van de visumaanvraag tot gevolg heeft dat verzoeker zijn moeder helemaal niet meer kan zien. Beiden zijn in de gelegenheid elkaar in Turkije te ontmoeten en bij elkaar te (ver)blijven. Verder komt het voor rekening en risico van verzoeker om, terwijl hij nog geen duidelijkheid heeft over de uitkomst van zijn visumaanvraag, eventuele niet-annuleerbare of tickets voor een reis naar Nederland aan te schaffen. Het indienen van een visumaanvraag biedt immers – ook al wordt deze via een professionele tussenpersoon ingediend – geen garantie voor afgifte van het visum. Dat is (mede) afhankelijk van de beoordeling die de minister in individuele gevallen maakt. Dat de minister in het geval van eiser mogelijk onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het visum heeft geweigerd, maakt dit tot slot niet anders. Dat is een klacht die verzoeker in de bezwaarfase naar voren moet brengen en waarover de minister een beslissing moet nemen. Het is niet aan de voorzieningenrechter om daar in de voorlopige-voorzieningenprocedure op vooruit te lopen.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de minister verzoeker niet hoeft te behandelen als ware hij in het bezit van een visum en dat betekent ook dat verzoeker niet naar Nederland mag komen in afwachting van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De minister hoeft de proceskosten van verzoeker daarom ook niet te vergoeden. Ook krijgt verzoeker het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2023.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.