Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:12365
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
962 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21785
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr F.S. Schoot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 26 juli 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde.
4.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op de zitting heeft eiser geen redenen naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten.
Ambtshalve toetsing
5. In de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank ook geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat de staatssecretaris op de zitting afdoende heeft toegelicht waarom gedurende de aan de bewaring voorafgaande strafrechtelijke detentie van eiser geen inspanningen zijn verricht om de uitzetting van eiser na zijn detentie te bespoedigen en de bewaring daarmee zo kort mogelijk te doen zijn. Uit de op eiser betrekking hebbende registratiekaart bleek namelijk dat eiser aanvankelijk tot 18 september 2023 zou zijn gedetineerd. Handelingen gericht op de uitzetting waren op dat moment dan ook prematuur. Vervolgens is de strafrechtelijke detentie van eiser vervroegd opgeheven. De staatssecretaris is hierover op 20 juli 2023 geïnformeerd en heeft kort na de oplegging van de maatregel van bewaring voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt.
Conclusie
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.