Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:12348
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,439 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20865
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. D.J. Tigelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juli 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
4. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontbreekt het zicht op overdracht?
5. Eiser voert aan dat er geen zicht op overdracht binnen een redelijke termijn bestaat. Eiser betoogt dat, gelet op de toegewezen voorlopige voorziening door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, de overdrachtstermijn is opgeschort. Dit betekent dat eiser voorlopig niet kan worden overgedragen. Verder bestaat er nog altijd onvoldoende duidelijkheid over de vraag of overdrachten aan Kroatië in strijd zijn met artikel met artikel 4 van het EU-Handvest of artikel 3 van het EVRM. In afwachting van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats dan wel het arrest van het Europees Hof in procedure C-392/22, bestaat er geen zicht op overdracht binnen een redelijke termijn.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de voorlopige voorziening die deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, op 27 juli 2023 heeft getroffen, inhoudt dat eiser niet mag worden overgedragen totdat op zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit is beslist. Het overdrachtsbesluit zelf is niet geschorst en geldt nog steeds. Dit betekent dat eiser nu niet mag worden overgedragen. Een uitspraak van de voorzieningenrechter als gevolg waarvan overdracht tijdelijk niet aan de orde is, staat op zichzelf niet in de weg aan de rechtmatigheid van de bewaring. Dat is anders indien aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat niet binnen afzienbare tijd op het beroep tegen die uitspraak, voor zover daarin het beroep van de vreemdeling gegrond is verklaard, zal worden beslist.
5.1.1.
De vraag is of die aanknopingspunten in dit geval bestaan. De bewaring van eiser moet zo kort mogelijk duren en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht op grond van de Dublinverordening is uitgevoerd. Eiser zit sinds twee weken in bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet onredelijk lang. De rechtbank stelt verder vast dat de behandeling van het beroep door de rechtbank is gepland op een zitting van 3 augustus 2023 met een mogelijk versnelde uitspraak. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat op dit moment niet gezegd kan worden dat er geen zicht op overdracht binnen een redelijke termijn is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van deze maatregel niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rb. Rotterdam 27 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6702.
Rb. Rotterdam 27 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6702.
Vergelijk ABRvS 8 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT1933.
Dat staat in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Dublinverordening).
Vergelijk artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening waarin staat dat wanneer een persoon in bewaring wordt gehouden, een overdracht zal plaatsvinden zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen zes weken vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de definitieve beslissing op het beroep wanneer dit opschortende werking heeft. Dit artikel ziet op de situatie dat er na de bewaring een verzoek wordt gestuurd aan de verantwoordelijke lidstaat. In het geval van eiser lag er voor de inbewaringstelling al een claimakkoord van de verantwoordelijke lidstaat.
Op de zitting heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat tijdens die zitting een verzoek tot een versnelde uitspraak zal worden gedaan.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.