Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:12081
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,115 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.15573 en NL23.15574
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam 1], verzoekster
V-nummer: [nummer] en
[naam 2]
, verzoeker
V-nummer: [nummer\]
hierna samen aan te duiden als verzoekers
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 april 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan verzoekers medegedeeld dat zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 3 augustus 2023 op zitting behandeld in Breda. Verzoekers en hun gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. Verzoekers zijn geboren op [geboortedatum 1] respectievelijk [geboortedatum 2] en hebben de Oekraïense nationaliteit.
2. Verzoekers hebben zich eerst in juni 2022 gemeld bij de gemeente Buren en daar verzocht om tijdelijke bescherming. Op 23 november 2022 hebben verzoekers zich bij verweerder gemeld op een zogenoemde ‘stickerlocatie’ om een verblijfssticker te verkrijgen. Bij twee afzonderlijke besluiten van 23 november 2022 is het verzoek van verzoekers om tijdelijke bescherming afgewezen. Verweerder heeft daaraan een handgeschreven toelichting toegevoegd: “U woonde in Rusland. De laatste keer dat u in Oekraïne was, was in februari 2021. U bent niet ontheemd als gevolg van het conflict in Oekraïne en valt daarom niet onder de richtlijn.”
3. Verzoekers hebben tegen die besluiten geen bezwaar gemaakt.
4. Verzoekers hebben zich op 28 april 2023 opnieuw gemeld bij verweerder om een verblijfssticker te verkrijgen. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder opnieuw overwogen dat verzoekers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, omdat verzoekers al vóór 27 november 2021 zijn vertrokken uit Oekraïne en voor die datum ook niet verbleven in Nederland. Verweerder heeft hieraan de volgende toelichting toegevoegd: “De IND heeft vastgesteld dat u de Oekraïense nationaliteit hebt. Maar u bent al vóór 27 november 2021 vertrokken uit Oekraïne. En u verbleef voor die datum niet in Nederland. Ook bent u geen gezinslid van een persoon die recht heeft op tijdelijke bescherming” […] U hebt eerder een afwijzing gekregen en bent nu bij het loket gekomen met een ander paspoort. U hebt verklaard in Oekraïne te zijn geweest in April 2021 en de stempels in uw paspoort zijn niet aanwezig, omdat u een nieuw paspoort heeft. Dit is voor de peildatum waardoor u niet onder de richtlijn valt. U hebt verder geen aanvullende stukken kunnen leveren.” Verweerder heeft daarom bij verzoekers geen verblijfssticker in hun paspoort geplaatst als bewijs van verblijf.
5. Verzoekers voeren aan dat sprake is van spoedeisend belang omdat zij als gevolg van de afwijzing geen opvang hebben, geen recht hebben op een uitkering en niet mogen werken. Daarnaast zijn zij niet verzekerd.
6. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter eerst gevraagd om een verbod tot uitzetting tot vier weken na de beslissing op het bezwaarschrift. Bij brief van 28 juli 2023 hebben verzoekers hun verzoek gewijzigd en de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat verzoekers de behandeling van hun bezwaar in Nederland mogen afwachten met recht op (gemeentelijke) opvang. Ook verzoeken zij de voorzieningenrechter verweerder op te dragen hen te behandelen als waren zij in het bezit van een verblijfssticker, waardoor zij in de gemeentelijke opvang mogen verblijven en het recht op arbeid hebben.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Griffierecht
7. Verzoekers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van hun verzoek wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om een vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door verzoekers overgelegde formulier hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Spoedeisend belang
8. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Uit de door verzoekers naar voren gebrachte informatie blijkt dat verzoekers op dit moment niet in enige vorm van opvang van overheidswege verblijven (zij verblijven bij vrienden) en dat zij geen werk hebben. Gelet daarop is niet gebleken dat verzoekers als gevolg van de bestreden besluiten niet langer in een opvang kunnen verblijven en niet meer kunnen werken. Uit de bestreden besluiten volgt bovendien dat verzoekers een onvolledige asielaanvraag hebben ingediend en om die reden rechtmatig verblijf hebben in Nederland. Indien verzoekers hun asielprocedure wensen voort te zetten kunnen zij naar Ter Apel gaan om de asielprocedure te doorlopen. Daarmee hebben zij, net als andere asielzoekers, recht op opvang. Dat zij geen recht hebben op gemeentelijke opvang, zoals personen die wél vallen onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, levert daarom geen spoedeisend belang op. Verweerder heeft er daarnaast ter zitting terecht op gewezen dat het ook voor asielzoekers mogelijk is om onder bepaalde voorwaarden te werken. De door verzoekers gestelde omstandigheden leveren dus geen spoedeisend belang op.
10. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als de bestreden besluiten evident onrechtmatig zijn. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van de door verweerder genomen besluiten.
Conclusie
11. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is en dat de bestreden besluiten niet evident onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af als ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Artikel 3.108 van het Vreemdelingenbesluit 2000.