Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:11938
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,389 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.20652
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Omdat er geen tolk beschikbaar was, heeft de rechtbank de behandeling ter zitting geschorst en voortgezet op 31 juli 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Pomper. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiser stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1964.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden en de rechtbank heeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten.
Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Eiser is eerder naar de Ghanese en Liberiaanse vertegenwoordiging geweest, maar dat heeft tot niets geleid. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat een presentatie van eiser bij de Gambiaanse vertegenwoordiging heeft geresulteerd in een verzoek om nadere informatie.
De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat op dit moment nog geen grond bestaat voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Eiser is gepresenteerd op 27 juli 2023, waarbij de aanvraag om een laissez passer voor eiser niet is afgewezen. Dat tijdens deze presentatie is verzocht om nadere informatie geeft de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat er naar aanleiding van het verzoek van de Gambiaanse vertegenwoordiging om nadere informatie nadere gesprekken met eiser zullen worden gevoerd en er een onderzoek wordt ingesteld bij het Nationaal Archief. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de uitzetting van eiser voldoende voortvarend ter hand heeft genomen.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 augustus 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.