Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:11850
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,634 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15699
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Gieskes).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Achtergrond
1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [datum]
1.1
Eiser heeft op 18 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft het volgende aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eisers vader heeft voor Gaddafi gewerkt. Eisers stam Tarhuna wordt met Gaddafi geassocieerd. Nadat het regime van Gaddafi ten val werd gebracht is eisers familie gevlucht van de stad Tarhuna naar Ain Zara. Zij werden daar wegens hun achtergrond bedreigd. Toen de oorlog in 2021 uitbrak kwamen er opstandelingen naar het huis van eiser, vermoordden zijn broer en reden eiser aan met een auto. Eisers familie werd gedwongen hun woning te verlaten. Eiser is toen naar Tunesië gegaan waar hij een visum voor Nederland heeft aangevraagd en naar Nederland is afgereisd. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar Libië. Eiser kan nu niet meer terug naar Libië omdat hij daar gevaar loopt en vreest te worden vermoord. Eiser vreest voor de milities die op zoek zijn naar hem en hem willen vermoorden.
Is het beroepschrift tijdig ingediend?
2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroepschrift tegen het bestreden besluit tijdig is ingediend. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van het tweede lid van artikel
8:36a van de Awb, is artikel 6:9 van de Awb overeenkomstig van toepassing op een
elektronisch ingediend beroep.
2.1
De rechtbank stelt vast dat zij het beroepschrift heeft ontvangen op 26 mei 2023. Het bestreden besluit is van 1 mei 2023. Het beroepschrift had moeten worden ingediend binnen een week na de dag waarop het bestreden besluit is verzonden, dus uiterlijk op 8 mei 2023. Het beroepschrift is daarom niet voor het einde van de termijn, als bedoeld in artikel 6:9 van de Awb, ontvangen. Het beroep is te laat ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
3. De rechtbank beoordeelt of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat op grond van artikel 6:11 van de Awb een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift, als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
3.1
In de brief van 31 mei 2023 heeft de rechtbank eiser verzocht om te laten weten waarom het beroep te laat is ingediend. Eisers gemachtigde heeft hierop gereageerd en aangegeven dat de beroepstermijn niet eenduidig bleek uit het bestreden besluit. Gemachtigde heeft erop gewezen dat in het besluit wordt vermeld dat eiser een termijn heeft van vier weken om Nederland te verlaten maar dat ook een beroepstermijn van één week wordt genoemd. Eisers gemachtigde heeft daarom op 2 en 4 mei 2023 een e-mail gestuurd naar verweerder om de juiste beroepstermijn te bevestigen, maar heeft hier geen reactie op gekregen. Daarnaast heeft eiser ter zitting verwezen naar een beschikking uit een vergelijkbare zaak waar een beroepstermijn van vier weken was opgenomen.
3.2
De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen reden voor het oordeel dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In het bestreden besluit is onder het kopje ‘besluit’ een vertrektermijn van vier weken genomen. Onder het kopje ‘Wat betekent dit besluit voor u?’ staat dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten. Onder het kopje ‘Bent u het niet eens met dit besluit?’ is aangegeven dat de beroepstermijn één week is. Deze beroepstermijn is in overeenstemming met artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, Vw. Dat er in een andere zaak, waarvan eiser stelt dat het een soortgelijke zaak betreft, vier weken als beroepstermijn is opgenomen betekent nog niet dat in eisers zaak de beroepstermijn niet duidelijk was. De omstandigheid dat verweerder niet heeft gereageerd op de mails van 2 en 4 mei 2023 maakt dit niet anders. Het ontslaat de gemachtigde van eiser niet van zijn verantwoordelijkheid om tijdig beroep in te stellen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren.
Is er reden om aan niet-ontvankelijkheidsverklaring voorbij te gaan?
3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022 volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland , om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen (hierna: Bahaddar-omstandigheden). Het is aan de rechtbank om te beoordelen of zich Bahaddar-omstandigheden voordoen, in het licht van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van verweerder daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst. De achterliggende gedachte van deze beoordeling is dat een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer altijd moet worden voorkomen. Voor het aannemen van een Bahaddar-omstandigheid geldt een hoge drempel. Dat betekent echter niet dat wanneer, zoals in dit geval, verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, de rechtbank bij de Bahaddar-beoordeling met een verwijzing naar dat standpunt kan volstaan. De rechtbank moet in dat kader een zelfstandige beoordeling verrichten op basis van wat in de gehele procedure naar voren is gekomen. De rechtbank zal daarom toetsen of het standpunt van verweerder, dat eisers terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM, evident onjuist is.
3.1
De rechtbank stelt voorop dat er land gebonden beleid voor Libië is opgesteld en dat daaruit blijkt dat Gadaffi-loyalisten, waaronder personen die behoren tot de Tarhuna-stam, die tot hun vertrek uit Libië hun vertrek hadden in gebieden waar milities en brigades die behoren tot de voormalige GNA de macht hebben, zijn aangemerkt als risicogroep. Niet in geschil is dat eiser behoort tot deze risicogroep. Volgens verweerder is het enkel behoren tot een risicogroep onvoldoende om voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen, maar kan een vreemdeling, als sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met een van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
3.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging, omdat de gestelde problemen ongeloofwaardig zijn geacht door verweerder. Verweerder heeft daarover het volgende overwogen. Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn problemen te onderbouwen. Eiser heeft wisselend verklaard over wanneer de problemen en incidenten hebben plaatsgevonden. Eiser heeft ook wisselend verklaard over de oorzaak van zijn gebroken been. Daarnaast doet de omstandigheid dat eiser in 2022 probleemloos naar Nederland is gereisd en vervolgens naar Libië is teruggekeerd afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door eiser gesteld problemen. Eiser heeft daarbij ook wisselend verklaard over de periode dat hij was teruggekeerd naar Libië en over het gebruik van onderduikadressen. Eiser heeft verder vaag en summier verklaard over de bedreigingen die hij heeft ontvangen.
3.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen ongeloofwaardig zijn.
3.4
Daarbij is allereerst van belang dat verweerder heeft kunnen uitgaan van de verklaringen van eiser. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat hij vanwege zijn medische beperkingen niet in staat was om volledig en coherent te verklaren tijdens de gehoren.
Conclusie
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift te laat is ingediend en dat niet is gebleken dat er zich omstandigheden voordoen zoals genoemd in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar. Het standpunt van verweerder dat de gestelde problemen van eiser vanwege zijn Tarhuna-afkomst niet geloofwaardig zijn en daarom geen sprake is van geringe indicaties die wijzen op een reëel risico op ernstige schade, is niet evident onjuist. Er bestaat daarom geen aanleiding om de nationale procedureregel, in dit geval de beroepstermijn uit artikel 6:9 van de Awb, buiten toepassing te laten. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr.A. Molenkamp-Lopar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1664.
Arrest Bahaddar tegen Nederland, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).
Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Paragraaf C7/22.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.