Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-03
ECLI:NL:RBDHA:2023:11706
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2574
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: W. Epema).
Inleiding en procesverloop
Met ingang van 22 juni 1994 is eiser in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Op 3 februari 2000 is aan eiser het Nederlanderschap verleend. In de brief van 24 juni 2022
heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn Nederlanderschap met terugwerkende kracht is komen te ontvallen als gevolg van identiteitsfraude.
Op 8 juli 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend om vervanging of vernieuwing van zijn verblijfsdocument.
In het besluit van 29 augustus 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
In het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser nu geen rechtmatig verblijf meer heeft. De verblijfsvergunning die eiser had direct voorafgaand aan 3 februari 2000 gold voor bepaalde tijd, namelijk tot 22 juni 2000. Eiser betwist dit. Volgens hem beschikte hij tot
3 februari 2000 over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij meent dat hij thans
weer aanspraak maakt op deze verblijfsvergunning. Om die reden heeft verweerder ten onrechte geweigerd om hem een nieuw/vervangend verblijfsdocument te verstrekken. Overigens voert eiser aan dat hij 28 jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. In dit licht getuigt het bestreden besluit volgens hem van een onredelijk hardheid.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de hand van het zogenoemde "klantoverzicht” van eiser voldoende onderbouwd dat hij tot 3 februari 2000 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden, met een geldigheidsduur van 27 april 1999 tot 22 juni 2000. Eiser heeft niet aangetoond dat deze informatie van verweerder onjuist is. Hij heeft een beschikking van 19 januari 1995 overgelegd. Uit deze beschikking blijkt dat hij in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf, onder de beperking “toegelaten als alleenstaande minderjarige asielzoeker”, met ingang van 22 juni 1994, geldig tot 22 juni 1995. Deze beschikking toont niet aan dat eiser op enig moment voorafgaande aan 3 februari 2000 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd heeft gehad. Overigens heeft eiser ter zitting erkend dat hij niet beschikt over een ander document waaruit dit zou kunnen blijken.
3. De onderhavige procedure is beperkt tot de vraag of verweerder al dan niet terecht heeft geweigerd om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsdocument. Voor een beoordeling van de persoonlijke situatie van eiser is in dit kader geen ruimte. De persoonlijke omstandigheden van eiser spelen mogelijk wél een rol bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning tot verblijf. Een dergelijk aanvraag ligt in deze procedure evenwel niet voor. Verweerder heeft enige beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van eiser dan ook terecht achterwege gelaten.
4. De beroepsgronden van eiser treffen geen doel. Het beroep is dus ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 juli 2023
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.