Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:11626
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.18222 (beroep) en NL23.18223 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.18223).
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Ghosh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1971 en heeft de Bengaalse nationaliteit.
1.1.
Eiser heeft eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend. Deze asielaanvraag is op 22 mei 2015 afgewezen, kort gezegd omdat hij de gestelde vrees voor de Jamaat-e Islami partij in Bangladesh niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep van eiser tegen deze afwijzing is ongegrond verklaard.
1.2.
Op 16 oktober 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 12 maart 2019 is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Het hiertegen ingestelde beroep is op 22 maart 2019 ingetrokken.
1.3.
Op 15 maart 2019 heeft eiser een tweede opvolgende asielaanvraag in Nederland ingediend en daarbij een document, inclusief Engelstalige verklaring, overgelegd. Bij besluit van 14 mei 2019 is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Op 18 juni 2019 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 9 oktober 2019 is de aanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard.
1.5.
Op 5 november 2021 heeft eiser de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend en daarbij vier documenten overgelegd. Het gaat hierbij om de volgende documenten:
- een verklaring van de burgemeester van Saturia Union Parsishad (Engels);
- een kopie verklaring met vertaling de heer [naam 1];
- een kopie verklaring met vertaling [naam 2];
- een kopie First Information Report met vertaling.
Wat is het standpunt van verweerder?
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gestelde persoonlijke vrees voor de Jamaat-e Islami partij in Bangladesh niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit is in voorgaande asielprocedures in rechte vast komen te staan. De in deze procedure overgelegde documenten en de door hem afgelegde verklaringen leiden niet tot een ander oordeel. Om die reden kan eiser volgens verweerder niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bangladesh een reëel risico op ernstige schade loopt. De asielaanvraag is daarom afgewezen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarbij kennelijk ongegrond verklaard, omdat het een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verweerder heeft het nader gehoor ten onrechte voortgezet, terwijl eiser heeft aangegeven dat hij de tolk niet goed heeft kunnen begrijpen en verstaan. De tolk heeft onjuist dan wel onvolledig vertaald. Eiser heeft dit herhaaldelijk aangegeven. Ook door Vluchtelingenwerk, die bij het gehoor aanwezig was, is aangegeven dat er sprake was van verschil in dialect tussen eiser en de tolk, wat mogelijk tot onjuiste vertalingen heeft geleid. Verweerder had daarom voor een andere tolk moeten zorgen.
3.1.
Eiser stelt dat het onderzoek door Bureau Documenten niet zorgvuldig is geweest en het rapport niet op deugdelijke wijze is gemotiveerd.
3.2.
Eiser handhaaft zijn stelling dat de verklaring van de burgemeester van Saturia Union Parsishad een origineel document is. Hij heeft eenduidig verklaard over de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van het document en door wie het document is afgegeven. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid van de stellingen van eiser. Tevens heeft eiser verwezen naar een rapportage van de UK Home Office. Verweerder heeft ten onrechte aan deze rapportage geen waarde toegekend.
Toetsingskader opvolgende asielaanvraag
4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2022, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in de zaak L.H. tegen Nederland van 10 juni 2021, dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet maken, bestaat uit twee stappen.
4.1.
De rechtbank dient allereerst de ontvankelijkheid van de aanvraag te beoordelen. Deze stap bestaat uit twee fasen. In dat kader is allereerst van belang of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Elementen of bevindingen zijn nieuw wanneer die niet zijn onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Indien er dergelijke nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, moet worden onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
4.2.
Eerst indien hiervan sprake is dient de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk te worden beoordeeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is het nader gehoor zorgvuldig geweest?
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het nader gehoor onzorgvuldig is geweest, omdat hij de tolk niet goed heeft verstaan en begrepen, dan wel de tolk niet goed of niet alles heeft vertaald.
5.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd aangeven dat eiser tijdens het nader gehoor wisselend heeft verklaard over de tolk. Eiser is meermaals in de gelegenheid gesteld om hierover iets op te merken, maar heeft dit tot aan zijn reactie op pagina 13 van het nader gehoor – waarbij hij zegt “wat moeite” te hebben met de tolk en aan te geven iemand soms niet te begrijpen blijkbaar – niet nodig geacht.
5.2.
Hoewel eiser aan het eind van het nader gehoor meer blijk geeft van zijn twijfels over – met name het aantal woorden van – de tolk, is niet gebleken dat het nader gehoor door communicatieproblemen met de tolk dusdanig negatief is beïnvloed dat hij in zijn belangen is geschaad en niet mocht worden voortgezet. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de correcties en aanvullingen die zijn ingediend naar aanleiding van de eventuele misverstanden en vertaalfouten in het nader gehoor zijn meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag en de totstandkoming van het bestreden besluit. Daar komt bij dat verweerder de motivering van de afwijzing mede gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de authenticiteit van de documenten niet is gebleken en op inhoudelijke inconsistenties tussen de documenten en wat in de correcties en aanvullingen is aangegeven, niet op iets wat zou zijn gezegd tijdens het nader gehoor. Ten slotte constateert de rechtbank dat de betreffende tolk, dezelfde tolk lijkt te zijn die eiser heeft meegenomen naar de zitting, waar geen problemen met de vertalingen zijn gesteld of gebleken.
Onderzoek van Bureau Documenten
6. Verweerder heeft de overgelegde onbetwist originele verklaring van de burgemeester van Saturia Union Parsishad laten onderzoeken door Bureau Documenten. Bureau Documenten heeft dit document onderzocht en geen onregelmatigheden aangetroffen met betrekking tot de opmaak en afgifte. Door het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal kan Bureau Documenten echter geen uitspraak doen over de echtheid van het document. Aan deze verklaring hecht verweerder daarom niet de waarde die eiser wenst.
Conclusie
8. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
9. Het beroep is ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
Dictum
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 4 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7872.
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4019.
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 5 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8278.
In de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2022:208.
ECLI:EU:C:2021:478.
Onderzoeksresultaat van 27 januari 2023.
Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zoals de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636, en 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695.