Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:11471
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,733 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4202
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2023 in de zaak tussen
drs. [eiser], uit [woonplaats], eiser
en
ISD Bollenstreek, Intergemeentelijke Sociale Dienst, de ISD
gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 14 januari 2022 om individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2022.
1.1.
De ISD heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 januari 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 juni 2022 op het bezwaar van eiser is de ISD bij dat besluit gebleven.
1.2.
De ISD heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de ISD.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag om individuele inkomenstoeslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser procesbelang bij deze procedure heeft. Gebleken is dat de ISD eiser met het besluit van 17 juni 2022 met ingang van 1 mei 2022 alsnog een individuele inkomenstoeslag van € 500,- heeft toegekend. Eiser wenst met de procedure te bereiken dat de peildatum van de individuele inkomenstoeslag op de datum van de aanvraag, 14 januari 2022, wordt bepaald, zodat hij nieuwe aanvragen eerder kan indienen en hij dus eerder over de individuele inkomenstoeslag kan beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit feitelijk betekenis voor eiser.
5. De rechtbank is in tegenstelling tot wat eiser betoogt niet gebleken dat de ISD is voorbijgegaan aan de gronden die eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van een ontvankelijk bezwaar een heroverweging van het bestreden (primaire) besluit plaats. In bezwaar heeft eiser betoogt dat zijn aanvraag om individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2021 is afgewezen en dat hij daarom vanaf 14 januari 2022 recht heeft op individuele inkomenstoeslag. De ISD is in het ambtelijk advies, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, in overeenstemming met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb op dit betoog van eiser ingegaan. Eiser heeft niet nader toegelicht op welke bezwaargronden niet of onvoldoende zou zijn gereageerd.
6. Verder is de rechtbank niet gebleken van vooringenomenheid zijdens de leden van de ambtelijke adviescommissie. De enkele omstandigheid dat dezelfde leden een advies hebben uitgebracht in het kader van eisers bezwaar tegen de (aanvankelijke) afwijzing van zijn aanvraag om individuele inkomenstoeslag van 5 april 2021 is daartoe onvoldoende.
7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de ISD de aanvraag van 14 januari 2022 terecht heeft afgewezen. Zij motiveert dat als volgt.
7.1.
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Pw kan de ISD op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen. Op grond van het derde lid wordt een dergelijk verzoek afgewezen indien aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan zijn verzoek, een individuele inkomenstoeslag is verleend.
7.2.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet, IOAW, IOAZ 2020 (de Verordening) heeft geen recht op een financiële bijdrage de persoon, bedoeld in artikel 2, aan wie in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaand aan zijn verzoek, een financiële bijdrage is verleend.
7.3.
In dit geval heeft de ISD eiser bij de beslissing op bezwaar van 16 augustus 2021 met ingang van 1 mei 2021 individuele inkomenstoeslag verstrekt. In de uitspraak van heden in het beroep met zaaknummer SGR 21/6187 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze beslissing op bezwaar, wat betreft de peildatum, in stand blijft. Gelet op het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de Pw en artikel 3, tweede lid, van de Verordening komt eiser daarom niet eerder dan 1 mei 2022 opnieuw in aanmerking voor individuele inkomenstoeslag. Dat de individuele inkomenstoeslag in het besluit van 16 augustus 2021 bij wijze van maatregel is verlaagd tot € 0,- doet aan eisers recht op de individuele inkomenstoeslag als zodanig niet af. Nu eiser de aanvraag van 14 januari 2022 binnen een periode van 12 maanden na 1 mei 2021 heeft ingediend, heeft de ISD deze aanvraag terecht op deze grond afgewezen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag van 14 januari 2022 in stand blijft. Geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 1, tweede lid, onder e, van de Verordening wordt onder financiële bijdrage verstaan: de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 Pw.