Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:11331
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
638 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4099
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2023 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.
Inleiding
Bij besluit van 2 juni 2023 heeft verweerder een ontheffing verleend voor de Vierde Stationsstraat in Zoetermeer.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet kan worden toegerekend.
2. Bij aangetekende nota van 16 juni 2023 is verzoeker verzocht om het griffierecht te betalen, en is aangegeven dat als verzoeker de nota niet binnen twee weken betaalt, het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De voorzieningenrechter constateert dat het verschuldigde griffierecht door verzoeker niet is voldaan en dat de termijn om dit te doen inmiddels is verstreken. Ook heeft verzoeker geen reden aangedragen waarom hij heeft nagelaten het griffierecht te betalen. Vanwege het uitblijven van de betaling verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.