Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:11058
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Angolese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
Verweerder heeft op 13 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2023 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen in het detentiecentrum Rotterdam. Mr. M. Verdoner is verschenen op de rechtbank in Groningen, als waarnemer van de gemachtigde van eiser. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de meeste recente uitspraak van 8 juni 2023 (in de zaak NL23.15267) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 juni 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat gelet op zijn kwetsbare gezondheid een lichter middel moet worden toegepast. Eiser voert daarnaast aan dat niet is gebleken van voldoende voortvarend handelen en dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij contact heeft gehad met de Angolese ambassade. Eiser verblijft inmiddels meer dan twee maanden in vreemdelingenbewaring en vindt dat de maatregel te lang voortduurt.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet overtuigend heeft gesteld dat een lichter middel effectief zal zijn. Niet is gebleken dat de voortduring van de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. De rechtbank is niet gebleken dat de in detentie beschikbare zorg voor eiser niet toereikend is, dat eiser niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of dat eisers gestelde psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162).
5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Verweerder heeft sinds het sluiten van het onderzoek op 8 juni 2023 en 29 juni 2023 gerappelleerd op de laissez-passer (lp) aanvraag. Ook is eiser op 29 juni 2023 gepresenteerd aan de Angolese vertegenwoordiging. Op 8 juni 2023 en 7 juli 2023 heeft verweerder vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Angola in algemene zin weigert lp’s te verstrekken, of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven, zodat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Daartoe acht de rechtbank het enkele tijdsverloop sinds de lp-aanvraag en het feit dat deze nog niet tot afgifte heeft geleid onvoldoende. Verder acht de rechtbank het van belang dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer. Zo is eiser wisselend in de contacten die hij stelt te hebben in Angola terwijl dit voor de voorwaarden van zijn uitzetting wel van belang is. Deze medewerking mag wel van hem worden verwacht, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2672). Naar het oordeel van de rechtbank komt het voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet.
6. De rechtbank ziet, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.