Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:10868
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,644 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.A. Kamphuis),
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder,
(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om een eerder opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) te herzien.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 1 augustus 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Bij besluit van 5 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
De zitting was op 12 juli 2023. Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Aan eiser is een EMG opgelegd vanwege een snelheidsovertreding. De kantonrechter heeft eiser vervolgens vrijgesproken van deze snelheidsovertreding. Eiser heeft verweerder daarom verzocht de EMG op te heffen.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat eiser bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zou hebben vermeld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser vindt dat de vrijspraak wel als een nieuw feit aangemerkt moet worden dan wel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren de opgelegde EMG opnieuw te beoordelen. Eiser benadrukt dat hij de snelheidsovertreding vanaf het eerste moment heeft bestreden. Daarnaast heeft de kantonrechter hem vrijgesproken, omdat de verbalisanten geen boordsnelheidsmeting zouden hebben verricht en de in het proces-verbaal opgenomen waarnemingen feitelijk niet mogelijk geweest zouden kunnen zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat, wanneer een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit, het bestuursorgaan dit verzoek af mag wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
6. Uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat vrijspraak door de politierechter (kantonrechter) van het ten laste gelegde het vermoeden van ongeschiktheid in beginsel onverlet laat. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van een proces-verbaal dat ten grondslag is gelegd aan de oplegging van het onderzoek onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop deze bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De vrijspraak door de kantonrechter kan in dit specifieke geval niet als zodanig worden aangemerkt, omdat deze geen ander licht werp op de feiten en omstandigheden waarop de EMG is gebaseerd. De EMG is opgelegd omdat uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de verbalisanten – zonder boordsnelheidsmeting - een gecorrigeerde snelheid van eiser 109 kilometer per uur op enig moment tijdens de rit hebben waargenomen, terwijl ter plaatse een maximale snelheid van 50 kilometer per uur was toegestaan. De rechtbank is, anders dan door eiser is gesteld, niet gebleken dat de kantonrechter heeft overwogen dat deze waarneming feitelijk niet mogelijk geweest zou kunnen zijn. Voor zover er aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de in het proces-verbaal opgenomen waarnemingen, bestond deze reeds voor de vrijspraak door de kantonrechter en levert deze aldus geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op. Het betoog van eiser slaagt niet.
8. Verdere feiten en omstandigheden die met zich brengen dat het evident onredelijk is dat verweerder weigert terug te komen op de eerder opgelegde EMG, zijn gesteld noch gebleken. Verweerder heeft het verzoek van eiser terecht afgewezen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de EMG in stand blijft. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1161).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 17 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1943).