Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:10657
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,774 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5202
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: M.C. van Limborgh-Hoffschlag),
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).
Inleiding
In het besluit van 18 januari 2022 (het primaire besluit) heeft de Svb besloten dat eiser maandelijks een bedrag van € 45,- moet aflossen op de vordering van € 53.891,30 aan teveel ontvangen AOW-pensioen.
Met het bestreden besluit van 20 juli 2022 op het bezwaar van eiser is de Svb bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (zijn partner) en de gemachtigde van de Svb.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser krijgt vanaf mei 2010 een AOW-pensioen. De Svb heeft in het besluit van 15 oktober 2018 vastgesteld dat eiser teveel aan AOW-pensioen heeft ontvangen. Dit heeft geresulteerd in een verlaging van het maandelijkse bedrag en een terugvordering van € 53.891,30 aan teveel ontvangen AOW-pensioen. In het primaire besluit heeft de Svb een betalingsregeling vastgesteld. Volgens deze regeling zal er maandelijks € 45,- worden ingehouden van het AOW-pensioen van eiser. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan.
2. De Svb heeft in de beslissing op bezwaar geen aanleiding gezien om het bedrag van € 45,- dat maandelijks wordt ingehouden te verlagen. Dit bedrag baseert de Svb op de berekening van de beslagvrije voet van eiser. Sinds de wetswijziging van 1 januari 2021 is de beslagvrije voet verlaagd tot maximaal 95% van het (gezamenlijke) netto inkomen. Hierdoor is de overblijvende 5% van het (gezamenlijk) netto inkomen voor beslag of verrekening beschikbaar.
Beoordeling
Het standpunt van eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de vordering van € 53.891,30 is ontstaan door een fout van de Svb. Deze fout is door eiser en de Svb niet op tijd opgemerkt. Eiser voert verder aan dat hij het maandelijkse bedrag van € 45,- niet kan missen. Eiser is invalide en moet regelmatig naar ziekenhuizen en/of specialisten en dit kost hem veel geld. Eiser voert verder aan dat hij is getrouwd op huwelijkse voorwaarden. De Svb heeft hiermee bij het vaststellen van de beslagvrije voet geen rekening gehouden.
Het standpunt van de Svb
4. De Svb ziet geen aanleiding om het standpunt te wijzigen en verwijst naar de motivering in de beslissing op bezwaar. De Svb erkent dat er sprake is van een lastige situatie voor eiser en zijn partner, maar stelt dat sinds de wetswijziging van 1 januari 2021 altijd 5% van het inkomen moet worden gebruikt om af te lossen op schulden. Ook benoemt de Svb dat het trouwen onder huwelijkse voorwaarden niet wordt meegenomen in de berekening van de beslagvrije voet. Hiervoor wordt gekeken naar het (gezamenlijk) netto inkomen van een schuldenaar en diens partner.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 15 oktober 2018, waarin de Svb heeft besloten om het bedrag van € 53.891,30 terug te vorderen, in rechte onaantastbaar is. Het bestreden besluit ziet alleen op het vaststellen van de betalingsregeling van € 45,- per maand. Voor zoverre eiser aanvoert dat het terugvorderingsbedrag fout is, kan dit in deze procedure niet aan de orde komen.
6. De beroepsgrond van eiser dat de beslagvrije voet door de Svb verkeerd is vastgesteld slaagt niet. Bij het vaststellen van de beslagvrije voet wordt gekeken naar het inkomen van eiser en zijn echtgenoot. Dat staat in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat zij zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarde is voor het bepalen van de beslagvrije voet niet relevant. De Svb heeft de beslagvrije voet daarom kunnen vaststellen op een bedrag van € 1.264,92.
6.1.
Eiser heeft € 871,- aan totale inkomsten. Dit betekent dat zijn inkomen lager ligt dan de beslagvrije voet. De Svb stelt zich terecht op het standpunt dat de wetgever bij invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) de keuze heeft gemaakt dat altijd 5% van de het inkomen moet worden gebruikt om af te lossen op schulden. In het geval van eiser leidt dit tot een maandelijks bedrag van € 45,-. De Svb stelt zich terecht op het standpunt dat de wet op dit punt dwingend is geformuleerd, zodat er geen mogelijkheid bestond om een lager aflossingsbedrag vast te stellen.
6.2.
De rechtbank overweegt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding biedt voor het oordeel dat de Svb niet zou moeten overgaan tot het daadwerkelijk incasseren van het maandelijkse aflossingsbedrag van € 45,-. Eiser heeft toegelicht dat hij en zijn vrouw het financieel krap hebben en het maandelijkse bedrag van € 45,- niet kunnen missen. Zij hebben dit echter niet met financiële stukken onderbouwd en daarmee hun financiële situatie niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank gelooft dat eiser in een moeilijke financiële situatie zit, maar zonder een financiële onderbouwing daarvan kan de rechtbank niet oordelen dat het incasseren van € 45,- per maand leidt tot een zodanig onredelijk resultaat dat de Svb daarvan had moeten afzien.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 november 2022; ECLI:NL:RBMNE:2022:4666.