Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:10654
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,870 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5200
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.G. van den Heuvel),
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).
Inleiding
In het besluit van 16 december 2021 (primair besluit I) heeft de Svb het AOW-pensioen van eiser gewijzigd van een ongehuwdenpensioen naar een gehuwdenpensioen.
In het besluit van 11 april 2022 (primair besluit II) heeft de Svb aan eiser laten dat hij een bedrag van € 11.201,21 aan teveel ontvangen AOW-pensioen moet terugbetalen.
In het besluit van 11 mei 2022 (primair besluit III) heeft de Svb aan eiser per 1 april 2022 een AIO-aanvulling toegekend.
Met het bestreden besluit van 15 juli 2022 heeft de Svb de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
1. De Svb heeft eiser vanaf 2 november 2018 een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande toegekend. Eiser is op 23 mei 2019 getrouwd met een Russische vrouw. Eiser heeft geprobeerd om dit huwelijk in te schrijven bij de gemeente Katwijk, maar dit is niet gelukt. Eiser heeft het huwelijk niet direct doorgegeven aan de Svb. Eiser heeft voor het eerst op 14 april 2021 op het formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ bij de Svb aangegeven dat hij is getrouwd.
1.1.
Omdat eiser getrouwd is, heeft de Svb met terugwerkende kracht het alleenstaande AOW-pensioen van eiser aangepast naar een gehuwden AOW-pensioen vanaf juni 2019 (primair besluit I). Omdat eiser te veel AOW-pensioen heeft ontvangen, is een bedrag van € 11.201,21 teruggevorderd (primair besluit II). Eiser heeft op 31 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling in verband met het lage loon van zijn partner en zijn verlaagde AOW-pensioen. Deze AIO-aanvulling heeft hij per 1 april 2021 toegekend gekregen (primair besluit III).
2. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser zijn huwelijk niet tijdig heeft gemeld en had kunnen weten dat hij daardoor teveel AOW-pensioen heeft gekregen. Een AOW-pensioen kan met terugwerkende kracht worden herzien, zoals is gebeurd in de situatie van eiser. Er waren in het geval van eiser volgens de Svb geen dringende redenen om het AOW-pensioen niet te herzien vanaf juni 2019. De Svb benoemt dat een AIO-aanvulling niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, hier was bij eiser geen sprake van.
Beoordeling
Het standpunt van eiser
3. Het beroep van eisers is alleen gericht tegen de ingangsdatum van de AIO-aanvulling. Eiser voert geen beroepsgronden aan tegen de wijziging van zijn AOW-pensioen naar een gehuwdenpensioen per juni 2019 en tegen de terugvordering van het bedrag aan teveel ontvangen AOW-pensioen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd bevestigd dat het beroep zich alleen richt tegen de ingangsdatum van de AIO-aanvulling. Eiser betoogt dat de AIO-aanvulling had moeten worden toegekend vanaf het moment dat hij zijn huwelijk heeft gemeld bij de Svb. Eiser stelt dat de Svb hem op dat moment ten onrechte niet heeft gewezen op de mogelijkheid om een AIO-aanvulling aan te vragen. Had de Svb dat wel gedaan, dan was volgens eiser de AIO-aanvulling eerder toegekend. Het bedrag dat eiser hierdoor heeft misgelopen, kan volgens hem in mindering worden gebracht op de terugvordering.
Beoordeling
4. Het recht op algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling ontstaat op het moment dat de aanvrager de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De bijstand wordt toegekend vanaf het moment dat de aanvrager zich heeft gemeld om een AIO-aanvulling aan te vragen.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bestaat geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie.
4.2.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de AIO-uitkering op een eerder moment had moeten worden toegekend. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van eiser om tijdig een aanvraag om een AIO-aanvulling in te dienen. De Svb is niet verplicht om hem te infomeren over de regelgeving en zijn daaruit voortvloeiende rechten. Bovendien heeft de Svb eiser in een brief van 1 november 2018 gewezen op de mogelijkheid een AIO-aanvulling aan te vragen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de Svb hem na de melding van zijn huwelijk hier nog een keer op moest wijzen. Van de Svb kan niet worden verlangd dat iedereen die (mogelijk) voor een AIO-aanvulling in aanmerking komt, actief wordt benaderd. Daar ligt dus een verantwoordelijkheid voor eiser.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:1084