Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:10496
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
928 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15963
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wetbestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van
artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat een andere lidstaat daarvoor
verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013
(Dublinverordening). Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te
worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat
het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste
overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om
bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van
verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk
gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee
dat het beroep op korte termijn, te weten op 3 augustus 2023, op zitting zal worden
behandeld en de uiterste overdrachtstermijn ten gevolge van deze uitspraak wordt gestuit.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om
verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op
grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand vastgesteld op van € 837 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met
wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestredenbesluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep (metnummer NL23.15962) in Nederland mag afwachten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.