Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2023:10425
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,828 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15054
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
5. Namens eiser is in beroep het volgende aangevoerd. Eiser verwijst allereerst naar de zienswijze van 31 maart 2023 en wenst de inhoud daarvan als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts stelt eiser dat met betrekking tot Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 15 april 2023 en het meest recente AIDA rapport (update 2022) van mei 2023. Uit deze bronnen blijkt volgens eiser dat in Frankrijk sprake is van gebrekkige opvangvoorzieningen en dat verschillende NGO’s een parlementaire commissie hebben verzocht om wetsschendingen aan de grens te onderzoeken, waarbij het onder andere ging om gewelddadige praktijken tegen asielzoekers. Eiser stelt verder dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. De rechtbank overweegt allereerst dat de algemene verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De staatssecretaris is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze waarin eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de staatssecretaris daarop volgens eiser niet juist of niet toereikend is niet bespreken.
7. Voorts overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt is dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256) en van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:715). Het is aan eiser om te onderbouwen dat dit anders is en met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van EU-Handvest omdat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen niet nakomen, bijvoorbeeld door tekortkomingen bij de asielprocedure, de opvang of de medische zorg. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken; zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:2018).
8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in zijn geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De algemene verwijzingen naar de brief van Vluchtelingenwerk en het AIDA rapport zijn hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat hieruit geen ander beeld blijkt van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan naar voren komt uit de informatie die reeds door de Afdeling is beoordeeld bij de hiervoor genoemde uitspraken van 16 juni 2021 en 9 maart 2022. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Franse autoriteiten hebben bovendien middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Hierbij is van belang dat de verdragen en Europese richtlijnen ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Frankrijk. Als eiser in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg hierover bij de Franse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser voor de behandeling van zijn asielverzoek van onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie
10. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie