Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:10301
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
871 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3514
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij niet [eiser] is, van Tunesische nationaliteit, maar [naam 1] , van Britse nationaliteit. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn naam [naam 2] is en dat hij afkomstig is uit Palestina. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar zijn werkelijke identiteit en nationaliteit. De vingerafdrukken die in het dossier aanwezig zijn, zijn niet van hem.
2. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser [eiser] is, geboren op [geboortedatum] 1960, van Tunesische nationaliteit. De rechtbank verwijst naar de overwegingen in de uitspraak van heden in de zaak NL23.3838.
3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het gestelde terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is omdat er op 14 september 2017 reeds een terugkeerbesluit is genomen dat in rechte vast staat. Op grond van wat partijen hebben aangevoerd is niet gebleken dat zich vervolgens relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de verblijfsrechtelijke situatie van eiser. Evenmin is
gebleken dat hij na de uitreiking van het besluit over de verblijfsvergunning de Europese Unie heeft verlaten, zodat dit besluit nog steeds van kracht is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen en geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan. Het gestelde terugkeerbesluit is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit. De beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit behoeven dan ook geen bespreking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juli 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.