Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:10260
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,399 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/7429
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Lekkerkerker).
Inleiding
Bij het primaire besluit van 9 juli 2021 heeft verweerder aan eisers bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend tot een bedrag van € 5.345,- waarvan € 4.557,- als lening voor woninginrichting en € 788,- om niet voor gordijnen (stoffering).
Bij het bestreden besluit van 9 november 2021 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Verweerder heeft eerder, naar aanleiding van een aanvraag van 2 december 2013 aan eiser bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand toegekend ter hoogte van € 1.363,- voor een wasmachine, stofzuiger, televisie, koelkast en gasfornuis.
1.2.
Eisers wonen met hun twee minderjarige kinderen bij de ouders van eiser. De dochter, die is geboren uit het eerste huwelijk van eiser, komt elk weekend langs en logeert bij eisers. Eisers ontvangen vanaf 28 mei 2020 een aanvullende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naast een Wajong-uitkering. Omdat eisers na betaling van een huurschuld zullen verhuizen naar een eigen woning hebben zij op 15 juni 2021 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Bij de aanvraag zit een inventarislijst waaruit blijkt dat het wat betreft de kosten voor de inrichting gaat om meubels, televisie, stofzuiger en witgoed. Op het aanvraagformulier hebben eisers vermeld aan dat zij ongeveer € 60.000,- aan schulden hebben.
1.3.
Op 18 juni 2021 hebben eiser en een consulent Werk en Inkomen (consulent), telefonisch contact gehad. De consulent heeft hierover in zijn rapport ‘aanvraag bijzondere kosten’ opgeschreven dat hij aan de hand van de overgelegde inventarislijst vergeleken met Nibud-prijzen van witgoedartikelen en voor de overige artikelen vergeleken met richtprijzen van het internet, tot een bedrag van iets minder dan € 3.500,- kwam. Eiser heeft een bedrag van circa € 10.000,- in gedachten en beroept zich op het Nibud.
1.4.
Verweerder heeft aan zijn bestreden besluit, waarbij het primaire toekenningsbesluit is gehandhaafd, ten grondslag gelegd dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen op basis van artikel 5.4 van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Krimpenerwaard 2019 (hierna: de Beleidsregels), in de vorm van een lening wordt verstrekt. De hoogte van de bijzondere bijstand heeft verweerder vastgesteld aan de hand van de in bijlage 1 bij de Beleidsregels opgenomen bedragen. Artikel 5.4 van de Beleidsregels verwijst naar de bijlage.
2. Eisers zijn op hierna te bespreken gronden in beroep gekomen.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. In geschil is de hoogte en de vorm van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten.
4.1.
Eisers hebben aangevoerd dat verweerder voor de hoogte uit had moeten gaan van de -hogere- Nibud-normen. Dat is toegezegd door de consulent en volgt ook uit artikel 1.5, eerste lid van de Beleidsregels. Verder hebben eisers aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bezoeken van de oudste dochter van eiser en met zijn allergie voor huisstofmijt waardoor een duurder matras en kussen nodig zijn.
4.2.
Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende.
4.2.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de rechtspraak van de Centrale Raad van de Beroep (Centrale Raad).
4.2.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat de toezegging van de consulent uit het rapport ‘aanvraag bijzondere kosten’ blijkt. Er is over het Nibud gepraat tijdens het telefoongesprek van 18 juni 2021. De rechtbank is van oordeel dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat van de zijde van verweerder een toezegging is gedaan dat eisers een hoger dan het toegekende bedrag zouden ontvangen voor de inrichting van hun woning. Dat over Nibud-normen is gepraat, is niet voldoende om van een toezegging te kunnen spreken. Deze grond slaagt dus niet.
4.3.
Wat eisers verder tegen de hoogte van de bijzondere bijstand hebben aangevoerd, vormt geen reden om te oordelen dat verweerder niet in overeenstemming met de Beleidsregel heeft kunnen beslissen tot toekenning van een bedrag van € 4.557,-. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.
4.3.1.
Artikel 1.5, eerste lid van de Beleidsregels bepaalt dat het college de hoogte van de bijzondere bijstand vaststelt op basis van de meest recente Nibud-prijzengids, tenzij de beleidsregels anders bepalen. Dat laatste is het geval. Artikel 1.5, derde lid van de Beleidsregels verwijst voor de hoogte van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten uitdrukkelijk naar de in bijlage 1 opgenomen normbedragen.
4.3.2.
In artikel 5.4, derde lid van de beleidsregels staat dat de hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de in bijlage 1 opgenomen tabel met normbedragen. De tabel wordt jaarlijks geïndexeerd. In de toelichting bij dit artikellid staat het volgende: “De tabel met normbedragen is tot stand gekomen na onderzoek naar de verschillende producten, merken en nieuwprijzen bij diverse (online) winkels, zoals Mediamarkt en Hema etc.. Voor de maximale bedragen kunnen volgens de tabel goede, degelijke producten nieuw worden aangeschaft die voldoen aan de hedendaagse gebruiks- en energienormen. Indexering van de bedragen vindt jaarlijks plaats op basis van de consumentenprijsindex.” Voor een gezin met twee ouders en twee kinderen hanteert verweerder op basis van de geïndexeerde bijlage in het jaar 2021 voor een totale woninginrichting een bedrag van € 4.557,-.
4.3.3.
Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad mag de bijstandverlenende instantie, in dit geval verweerder, voor het bepalen van de noodzakelijke kosten en de hoogte van de bijzondere bijstand forfaitaire bedragen hanteren, waarmee de betrokkene de goedkoopst adequate voorziening kan treffen. Daar tegenover staat dat de betrokkene aannemelijk kan maken dat deze bedragen in zijn of haar geval niet toereikend zijn voor de te maken noodzakelijke kosten.Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 4.557,- niet toereikend is voor de kosten die zij, ook gezien hun gezinssamenstelling, voor de inrichting van hun woning moeten maken. De gestelde huisstofmijtallergie heeft eiser niet met controleerbare (medische) stukken onderbouwd en is daarom niet aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet een hoger bedrag hoefde toe te kennen in afwijking van de normbedragen uit het beleid.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:915 en de uitspraak van 21 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:314
Uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7744. Zie ook de uitspraak van 5 april 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:817.