Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:10180
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,864 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6051
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan het bestuur van het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Leidse regio en aan het bestuur van de [onderwijsgroep] meegedeeld dat verweerder akkoord gaat met de financiering en ondersteuning voor Quadraat voor [naam] (hierna: de zoon) voor maximaal vijf dagdelen in de week voor een periode van maximaal twee jaar vanaf heden.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Regionale commissie bezwaarschriften (de commissie) heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, omdat – kort weergegeven – eiser niet is gekend in het primaire besluit, maar het primaire besluit inhoudelijk wel in stand te laten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 17 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover eiser niet is gekend in het primaire besluit en ongegrond verklaard wat betreft de periode waarover de financiering door de gemeente is toegezegd.
Eiser heeft de gronden van het beroep, dat nu ook is gericht tegen het bestreden besluit, aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022 via een beeldverbinding. Daaraan nam eiser deel. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk, omdat verweerder inmiddels met het bestreden besluit op bezwaar heeft beslist en eiser bij een beslissing op zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen procesbelang meer heeft.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna in op het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit.
2. Voor de voorgeschiedenis van deze zaak verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 december 2020 en de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 14 juli 2021 en 15 maart 2023.
Met de laatstgenoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter staat vast dat de beslissing van de Stichting Samenwerkingsverband Passend Onderwijs (het Samenwerkingsverband) om de toelaatbaarheidsverklaring voor de zoon, waarbij hij toelaatbaar wordt geacht voor het voorgezet onderwijs speciaal onderwijs te beperken tot en met 31 juli 2021 en niet toe te kennen voor de gehele schoolloopbaan van de zoon, juridisch juist is.
De hoogste bestuursrechter heeft daartoe overwogen dat volgens eiser Quadraat aan zijn zoon individuele begeleiding in een veilige leeromgeving biedt. Het op de capaciteiten en specifieke behoeften van de zoon toegesneden onderwijs aldaar heeft de afgelopen jaren naar volle tevredenheid van eiser gewerkt. De zoon gedijt daar en maakt vorderingen. De hoogste bestuursrechter stelt er begrip voor te hebben dat eiser wil dat deze vorm van onderwijs voor zijn zoon kan worden voortgezet, maar dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat het in dit geschil gaat om een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs met ondersteuningsvoorzieningen waarvoor het samenwerkingsverband verantwoordelijkheid draagt. Quadraat is geen onderwijsinstelling in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (Wec) en Quadraat ressorteert niet onder het Samenwerkingsverband.
De hoogste bestuursrechter stelt vervolgens vast dat volgens eiser uit het door de kinderpsychiater opgemaakte rapport volgt dat geen enkele school passend is voor zijn zoon en dat daarvan uitgaande eiser een toelaatbaarheidsverklaring vraagt voor een ondersteuningsvoorziening buiten het voortgezet speciaal onderwijs om. De wet voorziet daar niet in. De hoogste bestuursrechter oordeelt vervolgens dat het niet aan haar is om het Samenwerkingsverband in een geval als dit buiten de grenzen van de wet om te verplichten een individuele voorziening te bieden.
3. De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden de financiering van deze vorm van onderwijs door Quadraat heeft overgenomen. De hoogste bestuursrechter stelt immers vast dat het Samenwerkingsverband niet kan worden verplicht buiten de grenzen van de wet een ondersteuningsvoorziening buiten het voortgezet speciaal onderwijs om te bieden.
4. Partijen zijn het niet eens over de duur van de financiële ondersteuning door verweerder. Eiser vindt dat de financiële ondersteuning door moet lopen tot het twintigste levensjaar van de zoon.
5. Eiser heeft onweersproken gesteld dat de deskundigen het erover eens zijn dat deze vorm van onderwijs door Quadraat het beste is voor zijn zoon. Dit neemt echter naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder de duur de financiering van deze vorm van ondersteuning door Quadraat in redelijkheid heeft kunnen beperken tot twee jaar. In het bestreden besluit is dit – onder verwijzing naar het advies van de commissie – helder gemotiveerd. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eiser voor de langere termijn zekerheid wil voor zijn zoon, valt vooraf niet uit de sluiten dat de situatie van de zoon verandert of dat een ander financieringsbedrag of financieringsvorm gewenst is. Dat de medisch (genetische) aandoening van de zoon niet zal veranderen doet daaraan niet af.
6. Nu de rechtbank van oordeel is dat de beperking van de duur van de financiering tot twee jaar niet onredelijk is, zal verweerder voor de periode vanaf 23 november 2023 een nieuw besluit moeten nemen. Indien verweerder bij een ongewijzigde situatie niet tot verlenging van de huidige vorm van financiering zou overgaan, zal dit op een goede motivering moeten berusten.
7. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:RBDHA:2020:12416
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:1506 en ECLI:NL:RVS:2023:1030