Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:10147
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18779
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft 27 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank van deze voortduring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 juli 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de (niet gepubliceerde) uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:883, en van 21 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1453, volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van sluiten van het onderzoek dat aan de laatste uitspraak ten grondslag ligt. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Blijkens de voortgangsgegevens is er een LP-aanvraag verzonden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko, maar deze is tot op heden nog niet verstrekt. Om deze reden valt niet in te zien dat de Marokkaanse autoriteiten binnen een redelijke termijn alsnog een LP zullen verstrekken. Daarnaast heeft verweerder voor het laatst op 26 april 2023 een rappel gestuurd naar de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko. Dit getuigt niet van voortvarend handelen van verweerder. Tot slot merkt eiser op dat de voortgangsgegevens onzorgvuldig en niet compleet zijn nu hieruit niet blijkt wat de inhoud van de vertrekgesprekken is geweest.
5. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2023, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank neemt hierbij in acht dat op 31 januari 2023 een LP-aanvraag is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en verweerder op dit moment afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder op 24 februari 2023, 15 maart 2023, 6 april 2023, 26 april 2023, 17 mei 2023 en 6 juni 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd. Ook zijn er op 2 maart 2023, 31 maart 2023 en 1 juni 2023 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Verweerder heeft de rapporten van de vertrekgesprekken overgelegd. De enkele stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt, omdat hij 26 april 2023 voor het laatst heeft gerappelleerd, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder ziet de rechtbank geen verdere aanknopingspunten om op voorhand te twijfelen over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven of dat er nog een presentatie zal plaatsvinden.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).