Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:10102
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,931 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11301
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Hij heeft op 6 maart 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 6 april 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B.J. Kane als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij daardoor problemen heeft ondervonden in Gambia, en heeft aan zijn aanvraag tevens de problemen die hij ondervond met zijn oom ten grondslag gelegd.
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
eisers homoseksuele gerichtheid.
De staatssecretaris acht het eerste element geloofwaardig, maar eisers gestelde geaardheid niet evenals de problemen die eiser als gevolg daarvan zou hebben ondervonden. De staatssecretaris concludeert daarom dat de asielaanvraag afgewezen moet worden als ongegrond.
7. Eiser stelt dat de staatssecretaris hem ten onrechte als meerderjarige beschouwt. In het voornemen gaat de staatssecretaris uit van eisers opgegeven geboortedatum en wordt het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Om die reden mocht eiser ervan uitgaan dat de staatssecretaris uitging van de geboortedatum [geboortedatum 1] . De rechtbank leest eisers stelling als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voorts betoogt eiser dat leeftijdsonderzoeken in zijn geheel niet gebruikt mogen worden. Eiser verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar een rapport van de Nationale ombudsman (hierna: de Ombudsman). Daarnaast betoogt eiser dat de staatssecretaris zich in het geval van eiser niet op het leeftijdsonderzoek mag baseren. Het was voor eiser niet duidelijk dat er een fout was gemaakt en welke gevolgen deze fout precies had. Bovendien is het leeftijdsonderzoek ondoorzichtig en onzorgvuldig uitgevoerd.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser leeftijdsonderzoek is aangeboden in de vorm van medisch leeftijdsonderzoek. Op 30 augustus 2022 heeft het NFI een deskundigenrapport uitgebracht waaruit blijkt dat radioloog SA concludeert dat de sleutelbeenderen van eiser zijn uitgerijpt. Radioloog AB concludeert dat de sternale uiteinden van de beide sleutelbeenderen van eiser nog niet volledig zijn uitgerijpt. Omdat er geen consensus is over de mate van uitrijping van de sleutelbeenderen is de conclusie van het deskundigenrapport dat het mogelijk is dat eiser minderjarig is.
7.2.
Op 16 januari 2023 heeft het NFI een herzien adviesrapport uitgebracht ter vervanging van het eerste adviesrapport van 30 augustus 2022. De verklaring voor de herziening is volgens het herziene rapport, “In het oorspronkelijke rapport
werd uitgegaan van een situatie waarbij er geen consensus was tussen de beoordelingen van twee radiologen. Inmiddels is tijdens een jaarlijkse controle gebleken dat één radioloog (AB, bijlage lb) niet de correcte beoordeling had verzonden naar het NFI.” Het rapport vermeldt dat beide radiologen volledig uitgerijpte sleutelbeenderen hebben waargenomen en dat uitgerijpte sleutelbeenderen nooit zijn aangetroffen bij minderjarige individuen. De conclusie is dan ook dat het volledig uitgerijpt zijn van de sleutelbeenderen niet past bij een minderjarige leeftijd.
7.3.
Bij brief van 21 februari 2023 heeft de staatssecretaris aan de gemachtigde van eiser bericht dat eiser, gelet op het herzien adviesrapport als meerderjarige de asielprocedure zal doorlopen. Op dezelfde dag heeft de staatssecretaris aan de Vreemdelingenpolitie bericht dat de geboortedatum van eiser dient te worden gewijzigd, namelijk in [geboortedatum 2] .
7.4.
In het voornemen wordt niet gesproken over de aangepaste geboortedatum en bij de persoonsgegevens van eiser staat bij geboortedatum ‘ [geboortedatum 1] ’ vermeld. In het bestreden besluit is aangegeven dat er wordt uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 2] . De geboortedatum [geboortedatum 1] is volgens de staatssecretaris per abuis opgenomen.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Gelet op de communicatie op 21 februari 2023 met de gemachtigde van eiser was duidelijk dat de staatssecretaris uitging van de meerderjarigheid van eiser. Eiser is vervolgens als meerderjarige gehoord. Dat in het voornemen een onzorgvuldigheid is geslopen maakt dat niet anders. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft ter zitting ook uitgelegd hoe de fout is ontstaan (namelijk dat een handmatige aanpassing bij het opmaken van documenten nodig was). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de staatssecretaris toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de staatssecretaris in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
7.6.
Ook de stelling dat het leeftijdsonderzoek in algemene zin geen bruikbaar instrument is om twijfel over de leeftijd weg te nemen volgt de rechtbank niet. Met het stuk van de Ombudsman uit 2002 heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Er is inmiddels bijna 20 jaar verstreken sinds het rapport is verschenen. Het rapport is daarom gedateerd. De rechtbank kan dan ook niet, zonder verdere onderbouwing van eiser, uitgaan van de conclusies uit het rapport. Ook de verwijzing naar het artikel uit De Groene Amsterdammer maakt niet dat de staatssecretaris van deze onderzoeksmethode geen gebruik kan maken. In het artikel wordt vermeld dat de beoordeling van röntgenfoto’s door buitenlandse radiologen gebeurt, nu het voor Nederlandse radiologen niet mogelijk is om de beoordeling anoniem uit te voeren. Omdat het ondertekenen met naam tot ongewenste situaties – zoals bijvoorbeeld bedreiging – leidde, is het NFI uitgeweken naar buitenlandse radiologen. Eiser geeft aan dat hij daar vragen bij heeft, maar onderbouwt niet waarom het leeftijdsonderzoek door deze handelwijze in zijn algemeenheid niet bruikbaar zou zijn.
7.7.
Eiser betoogt wel terecht dat er niet duidelijk is dat er een fout gemaakt was bij het leeftijdsonderzoek en welke gevolgen deze fout precies had. Het leeftijdsonderzoek is namelijk te kwalificeren als een deskundigenadvies. Volgens vast rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een deskundigenadvies afgaan, als in dat advies op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn. Het bestuursorgaan mag zich niet op het advies baseren, als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht. Dit is de zogeheten vergewisplicht, gebaseerd op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.8.
Uit het dossier blijkt de rechtbank niet dat de staatssecretaris nader onderzoek heeft gedaan naar de totstandkoming en de vaststelling van het herziene rapport. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiertoe wel gehouden was op grond van de vergewisplicht. De verklaring van het NFI in het herziene rapport van 16 januari 2023 is summier en er blijkt niet uit hoe de fout is ontstaan en hoe deze aan het licht is gekomen. De verklaring dat dit bij een jaarlijkse controle is gebeurd is te onduidelijk. Bovendien is niet duidelijk wat er precies is gecontroleerd. De zinsnede (zoals weergegeven in 7.2.) dat de radioloog niet de juiste beoordeling heeft verzonden lijkt te impliceren dat er meerdere beoordelingen zijn.
Conclusie
8. De staatssecretaris heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 april 2023;
- draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier, en openbaar gemaakt door middels van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rapport van de Nationale Ombudsman van 17 december 2002, https://www.nationaleombudsman.nl/uploads/rapport2002-386.pdf
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4250 of de uitspraak van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2859.