Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-09-05
ECLI:NL:RBDHA:2022:9090
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
922 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16490
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2022 heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij aan eiser een vertrektermijn is onthouden. Daarnaast heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.K. Abashidze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1980 en de Georgische nationaliteit te hebben.
2. Ten aanzien van het thans opgelegde terugkeerbesluit voert eiser aan dat hij destijds is teruggekeerd naar Georgië. De verplichting Nederland te verlaten geldt daarom niet (langer).
3. Tegen eiser is op 23 november 2004 een ongewenstverklaring uitgevaardigd, waarbij eiser ongewenst is verklaard als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet. Het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift is op 7 maart 2005 ongegrond verklaard. Aan de verplichting tot vertrek uit Nederland ingevolge de ongewenstverklaring is voldaan, aangezien eiser daadwerkelijk Nederland heeft verlaten en is teruggekeerd naar Georgië. Verweerder heeft thans daarom terecht een nieuw terugkeerbesluit genomen en heeft deze ook voldoende gemotiveerd.
4. Ten aanzien van het inreisverbod stelt eiser dat ten onrechte een inreisverbod is uitgevaardigd. De ongewenstverklaring duurt nog voort, dus is het inreisverbod ten overvloede genomen en dient het vernietigd te worden. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2014.
5. Eiser wordt gevolgd in zijn standpunt. Gelet op het feit dat de ongewenstverklaring van 23 november 2014 nog geldend is, dient het inreisverbod te worden vernietigd.
6. Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wat het inreisverbod betreft.
7. Deze zaak is wat betreft het feitencomplex en behandeling op zitting samenhangend met de zaak NL22.16179. Gelet op het feit dat in die zaak een proceskostenveroordeling is gevolgd, is derhalve in deze zaak niet nogmaals een proceskostenveroordeling op zijn plaats.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit wat het inreisverbod betreft;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2014:3587.