Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2022-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2022:8186
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/595615 / HA ZA 20-652 Vonnis in incident van 17 augustus 2022 in de zaak van 1. de rechtspersoon naar vreemd recht ZELIG MAPPA FARMERS LTD , te Kadima, Israël, 2. de rechtspersoon naar vreemd recht FLOWERS R. MORDEHAI LTD , te Moshav Olesh, Israël, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht MESHEK MORDEHAI LTD , gevestigd te Moshav Olesh, Israël, eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening, eiseressen in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv, verweersters in het schorsingsincident, verweersters in het incident bevel verstrekking inlichtingen ex artikel 22 Rv, advocaat mr. R.M. van der Velden te Amsterdam, tegen 1 KOLSTER B.V., te Boskoop, 2. de rechtspersoon naar vreemd recht BEAUTY LINE LTD , te Nairobi, Kenia, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht DANZIGER ''DAN'' FLOWER FARM , te Mishmar HaShiv'a, Israël, gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening, verweersters in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv, eiseressen in het schorsingsincident, eiseressen in het incident bevel verstrekking inlichtingen ex artikel 22 Rv, advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam. Partijen zullen hierna Mappa c.s. (vrouwelijk enkelvoud) en Kolster c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Eiseressen zullen afzonderlijk Zelig Mappa, Flowers en Meshek Mordehai genoemd worden en gedaagden afzonderlijk Kolster, Beauty Line en Danziger. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 april 2020, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening; - de akte houdende overlegging producties van Mappa c.s., , met producties EP01 tot en met EP09; - de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot schorsing ex artikel 106 GKVo , tevens houdende verzoek tot het geven van een bevel tot verstrekking van inlichtingen ex artikel 22 Rv van Kolster c.s., met productie GP01 tot en met GP14; - de conclusie van antwoord in het schorsingsincident ex artikel 106 GKVo, tevens houdende incidenteel verzoek om toestemming voor het oproepen van een derde ex artikel 118 Rv van Mappa c.s., met productie EP10; - de nadere akte, tevens wijziging van eis in het incident tot schorsing ex artikel 106 GKVo, tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 118 Rv van Kolster c.s.; - de nadere akte in het schorsingsincident ex artikel 106 GKVo van Mappa c.s., met productie EP11 tot en met EP14; - de akte uitlating producties in het incident tot schorsing ex artikel 106 GKVo, alsmede akte uitlating bezwaar en productie in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening van Kolster c.s., met productie GP16 tot en met GP18; - het proces-verbaal van de digitale mondelinge behandeling via MCU-verbinding op 1 juni 2021 en de daarin genoemde gedingstukken; - de akte vermeerdering eis ex artikel 22 Rv, van Kolster c.s.; - de akte houdende reactie op verzoek ex artikel 22 Rv, tevens reactie eisvermeerdering van Mappa c.s., met productie EP19 en EP20. 1.2. Vonnis in de incidenten is nader bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Zelig Mappa is een bedrijf van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] dat al meer dan 40 jaar actief is in de landbouwsector. 2.2. Zelig Mappa is houdster van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras OFARIM van de soort Lepidium ruderale L. (hierna: het Kwekersrecht). Het verleningsonderzoek is verricht door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (hierna: Naktuinbouw). Het Kwekersrecht is op 5 mei 2008 verleend aan [naam 2] en ingeschreven onder nummer 22240. Op 15 oktober 2018 is het Kwekersrecht overgedragen aan Zelig Mappa. Sinds 1 juni 2004 worden de planten van het ras OFARIM onder meer op de Europese markt, waaronder Nederland, verkocht onder de commerciële naam Green Bell. 2.3. Flowers en Meshek Mordehai zijn exclusiev Please note that, should I not have received a satisfying response before the stipulated deadline, I will advise Mappa to take further legal action against your company, without further notice. Mappa trusts that this will not be necessary, and that your company is willing to settle this matter amicably, along the lines as per above. 2.13. Danziger heeft op 29 april 2018 bij brief gereageerd op de sommatie waarin – onder meer – is gemeld: (…) 1. Your letter of March 29, 2018 has been accepted in Beauty Line Ltd on April 22, 2018. Since Danziger is breeder and IP Holder of the plant material grown in Beauty Line Ltd, they sent Danziger the contents of the letter for their reaction. 2. Danziger, founded in 1953, has been breeding various floriculture crops for many years. Danziger invest enormous funds in research and development, and therefor protects it IP, and highly respect the IP of others. 3. Danziger breed, among many others, also the Lepidium crop, and already have several Lepidium varieties of different botanical species. 4. Danziger, and hence, Beauty Line Ltd have never commercialize “Ofarim” and therefor didn’t infringe any of Mappa or Mordechai’s rights. 5. Your allegations are not accurate. Lepidium varieties sold by Danziger and/or Beauty Line Ltd are all products of Danziger’s independent breeding. Danziger’s Lepidium varieties are New and Distinct from “Ofarim” and do not fall within the scope of protection of “Ofarim”’s PBR. 2.14. Op 6 februari 2019 heeft Mappa c.s. Naktuinbouw de opdracht gegeven om te starten met een onderzoek naar OFARIM planten en Green Dragon planten. Het rapport van Naktuinbouw naar aanleiding van dit onderzoek (hierna: het VT-rapport) dateert van 18 maart 2020. In het VT-rapport is – onder meer – opgenomen (sic): (…) 2. MATERIAL (…) On February 1st, plants labeled as ‘OFARIM’ and originating from Mordehai were bought from the auction. In addition, plants labeled as ‘GREEN DRAGON - Beautiline’ originating from Kenya were bought from Floris International. The boxes with the plant material and original documentation was brought to Naktuinbouw on February 6. All documents of the purchases are shown in Annex 1. The sealed packages of the auction material were opened in the meeting room. The plants were inspected, photographed and seeds were harvested by Zelig Mappa, witnessed by all other persons present in the room. Seeds were collected in backs which were coded ‘Variety A’ and ‘Variety B’ by Naktuinbouw. For the analysis there is no need to know which is the true-to-type sample and which the alleged infringing sample. Also leaf samples were taken from the delivered plants. The seeds were subsequently registered, dried and stored at Naktuinbouw. Photographs of the seed sampling are shown in Annex 2. On April 10, 2019, Naktuinbouw received an additional Lepidium sample provided by the titleholder and labeled ‘GREEN BELL’. In addition to the plant material from the auction and provided by the titleholder, Naktuinbouw used plant material / seeds from the market as a reference. These samples were provided under code. Naktuinbouw also used the OFARIM identity sample (referred to as Identity sample LPD 2, EU 2004-1415; (15ZCB 2238)). This concerns sample material on the basis of which the Plant Breeder's Right was granted in 2008 and which has been stored by Naktuinbouw ever since. All samples that are used in this study are described in Table 1 and 2. (…) 3 MORPHOLOGICAL EXAMINATION Two separate growing tests were performed. The first trial was sown on May 2, 2019, the second test was sown on May 28, 2019. The plant material was grown according to the Naktuinbouw Growing Instruction Lepidium version 1. Morphological observations were made according Naktuinbouw Simplified Protocol NL/NPL/1 (date of preparation of TP: 1/08/2015). Morphological observations were made during the trial, by Mr. W.A. Wietsma, and Mr. G. van de Wardt. The final observations were made for the first trial on July 10, 2019 a 4 De beoordeling in de hoofdzaak 4.1. Deze rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Mappa c.s. in de hoofdzaak op grond van de artikelen 101 lid 2 onder a, artikel 101 lid 1 GKVo jo artikelen 6 en 24 Lugano II , een en ander in combinatie met artikel 78 lid 2 sub a ZPW . Dat betekent dat de rechtbank tevens bevoegd is kennis te nemen van de incidentele vorderingen, waaronder het treffen van voorlopige maatregelen ex artikel 101 lid 1 GKVo jo artikel 31 Lugano II. 5 Het geschil in het schorsingsincident 5.1. Kolster c.s. vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, de procedure in de hoofdzaak zal schorsen, primair totdat onherroepelijk is beslist in de door Kolster c.s. bij het CPVO aanhangig gemaakte procedure, subsidiair totdat het CPVO heeft beslist in de door Kolster c.s. bij het CPVO aanhangig gemaakte procedure, en daarbij de beslissing omtrent de kosten van het incident aan zal houden tot een beslissing hierover in de hoofdzaak. 5.2. Aan haar vordering legt Kolster c.s. ten grondslag – samengevat – dat de hoofdzaak op basis van artikel 106 lid 2 GKVo moet worden geschorst, nu door Kolster c.s. een verzoek is ingediend tot nietig- c.q. vervallenverklaring van het Kwekersrecht bij het CPVO. 5.3. Mappa c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6 De beoordeling in het schorsingsincident 6.1. De rechtbank stelt voorop dat de nationale rechter bij wie een vordering betreffende een communautair kwekersrecht is ingesteld op grond van artikel 105 GKVo ervan uit moet gaan dat dit kwekersrecht rechtsgeldig is. Wanneer die vordering betrekking heeft op een communautair kwekersrecht ten aanzien waarvan een procedure tot nietig- of vervallenverklaring voor het CPVO is ingeleid, kan de nationale rechter de procedure op basis van artikel 106 lid 2 GKVo echter schorsen indien de beslissing afhangt van de vraag of het communautaire kwekersrecht geldig is. Artikel 106 GKVo luidt in de Nederlandse taal als volgt: Artikel 106 Schorsing van de procedure 1. Wanneer een vordering op grond van artikel 98, lid 4, is ingesteld, kan, indien de beslissing afhangt van de vraag of het ras overeenkomstig artikel 6 voor bescherming in aanmerking komt, die beslissing eerst worden genomen nadat het Bureau over de aanvraag om een communautair kwekersrecht heeft beslist. 2. Wanneer de vordering betrekking heeft op een verleend communautair kwekersrecht ten aanzien waarvan op grond van artikel 20 of artikel 21 een procedure tot nietigverklaring of tot vervallenverklaring is ingeleid, kan, indien de beslissing afhangt van de vraag of het communautaire kwekersrecht geldig is, de procedure worden geschorst. 6.2. Daarbij verwerpt de rechtbank het verweer van Mappa c.s. dat artikel 106 lid 2 GKVo bedoelt terug te verwijzen naar artikel 106 lid 1 GKVo, zodat voor schorsing op basis van lid 2 – naast een ingeleide procedure voor het CPVO – ook sprake zou moeten zijn van een opeisingsvordering in de zin van artikel 98 GKVo. Mappa c.s. baseert deze lezing van artikel 106 lid 2 GKVo op de Nederlandse vertaling van leden 1 en 2 waarin het volgende is opgenomen. Lid 1: “Wanneer een (cursivering rechtbank) vordering op grond van artikel 98 lid 4, is ingesteld (…)”. Lid 2: “Wanneer de (cursivering rechtbank) vordering betrekking heeft op een verleend communautair kwekersrecht (…)”. Omdat in lid 2 “de” vordering is opgenomen, verwijst dit volgens Mappa c.s. terug naar de in lid 1 bedoelde vordering. Bij raadpleging van de Engelse versie van de GKVo blijkt echter dat dit een (kleine) vertaalfout is. In de Engelse versie staat in beide leden van artikel 106 GKVo opgenomen: “Where an (cursivering rechtbank) action relates (…)”, het onbepaalde lidwoord derhalve. Hetzelfde geldt voor de Spaanse en Portugese taalversies zo heeft de rechtbank zelf kunnen constateren. In de Duitse taalversie wordt in beide leden “die Klage” ge Immers, in artikel 53 bis lid 3 Uv-GKVo is opgenomen dat het CPVO de beslissing om een ingediend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren aan de indiener van het verzoek en de houder van het kwekersrecht meedeelt. Een dergelijke mededeling hebben Danziger noch Mappa c.s. ontvangen althans tot nog toe niet in de procedure gebracht. Uit 53 bis lid 3 Uv-GKVo is evenwel niet af te leiden dat als het CPVO ten positieve heeft beslist op de ontvankelijkheidsvraag, en hij derhalve een procedure heeft ingeleid, zulks aan partijen wordt meegedeeld. De enkele omstandigheid dat de kwekersrechthouder om een reactie is gevraagd, is voorshands niet doorslaggevend omdat geenszins is uit te sluiten dat een reactie ook wordt gevraagd alvorens op de ontvankelijkheid wordt beslist. Dat betekent dat vooralsnog onduidelijk is of de procedure bij het CPVO is ingeleid zodat schorsing van de onderhavige hoofdzaak op basis van artikel 106 GKVo (nog) niet aan de orde is. In de hoofdzaak zal dan ook worden doorgeprocedeerd. 6.6. De rechtbank zal de beslissing op de incidentele vordering aanhouden totdat duidelijk is dat het CPVO heeft beslist over de ontvankelijkheidsvraag. Pas daarna kan definitief worden beslist of al dan niet moet worden geschorst in de onderhavige hoofdzaak. De rechtbank overweegt reeds nu dat indien het CPVO heeft beslist om de procedure in te leiden, hij kennelijk van oordeel is dat sprake is van ernstige twijfels over de geldigheid van het kwekersrecht. Aangezien voor toewijzing van de vorderingen noodzakelijk is dat sprake is van een geldig kwekersrecht, is schorsing van de procedure in de hoofdzaak in dat geval aangewezen. 6.7. Het voorgaande betekent dat de meest gerede partij de zaak voor wat betreft het schorsingsincident op de rol kan plaatsen voor een akte uitlaten over de voortgang in het schorsingsincident, zodra het CPVO heeft beslist over de ontvankelijkheid van het verzoek van Danziger dan wel op andere wijze duidelijk is dat het CPVO de procedure heeft ingeleid. De rechtbank ziet op de voet van artikel 91 GKVo ambtshalve aanleiding het CPVO rechtstreeks te vragen omtrent de status van het nietigheidsverzoek en of inderdaad, zoals Kolster c.s. stelt maar Mappa c.s. betwist, een onderzoek naar de geldigheid is ingeleid. Indien nog niet op de ontvankelijkheid is beslist, zal de rechtbank vragen op welke termijn daarop beslist zal worden. 6.8. Kolster c.s. heeft in haar nadere akte, tevens wijziging van eis in het incident tot schorsing ex artikel 106 GKVo, tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 118 Rv, opgenomen dat haar schorsingsverzoek ook ziet op de voorlopige voorziening. Mappa c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen deze – volgens haar – vermeerdering van het schorsingsverzoek. 6.9. De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van Mappa c.s. Schorsing van de voorlopige voorziening zal worden afgewezen, waarmee Mappa c.s. geen belang meer heeft bij haar bezwaar. Inhoudelijk overweegt de rechtbank als volgt. Wanneer het CPVO het verzoek tot nietig- of vervallenverklaring ontvankelijk verklaart en de procedure inleidt, zal de hoofdzaak worden geschorst. In dat geval moet de kwekersrechthouder de mogelijkheid hebben een voorlopige voorziening te verkrijgen om haar kwekersrechten te beschermen. De procedure voor wat betreft de door Mappa c.s. gevorderde voorlopige voorziening zal dan ook niet worden geschorst en het schorsingsincident wordt in zoverre afgewezen. 6.10. De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten voor dit deel van het schorsingsincident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. 7 Het geschil in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening 7.1. Mappa c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, Kolster c.s. bij voorlopige voorziening voor de duur van de procedure in de hoofdzaak ex artikel 223 Rv zal bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, iedere inbreuk op het Kwekersrecht in de EU, waaronder Ne in de volledige kosten van het incident op de voet van artikel 1019h Rv, inclusief de wettelijke handelsrente over deze kosten vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. 11.2. Aan de incidentele vordering onder 11.1 legt Mappa c.s. ten grondslag dat Kolster c.s. in de hoofdzaak heeft aangevoerd dat niet Beauty Line Green Dragon planten afzet in de Europese Unie, maar het gelieerde bedrijf BLI. Mappa c.s. was niet bekend met dit verweer van Kolster c.s. en kon daar ook niet mee bekend zijn, nu Danziger in haar reactie op de sommatiebrief van Mappa c.s. heeft aangegeven dat de Lepidium planten door Beauty Line worden verkocht. Het is daarom volgens Mappa c.s. noodzakelijk, of in ieder geval nuttig, dat BLI op grond van artikel 118 Rv als mede gedaagde wordt opgeroepen. Nu uit de dagvaarding blijkt dat Mappa c.s. de bedoeling heeft gehad om ook de entiteit binnen het Danziger concern te dagvaarden die de levering van Green Dragon planten in de Europese Unie verricht, moet haar de gelegenheid wordt gegeven om de ontbrekende entiteit alsnog in het geding te betrekken. 11.3. Kolster c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 12. De beoordeling in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv 12.1. De rechtbank is – met Kolster c.s. – van oordeel dat artikel 118 Rv niet zo ruim kan worden uitgelegd dat daarmee derde partijen in een geding kunnen worden betrokken waartegen de eisende partij een zelfstandige vordering wil instellen. Artikel 118 Rv is, noch gezien de wetsgeschiedenis, noch gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, bedoeld voor herstel van het onderhavige (mogelijke) verzuim van Mappa c.s. om alle volgens haar betrokken partijen te dagvaarden. De vorderingen tegen Beauty Line zijn door de rechtbank zelfstandig te beoordelen. Een eventuele niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van de vorderingen tegen Beauty Line wordt niet beïnvloed door het al of niet oproepen van BLI. Er is geen sprake van een noodzakelijke of processueel ondeelbare rechtsverhouding. 12.2. Mappa c.s. stelt in haar schriftelijke pleitnotities dat BLI gekwalificeerd moet worden als derde betrokkene bij de materiële rechtsverhouding tussen de procespartijen en dat Mappa c.s. haar daarom moet kunnen oproepen op grond van artikel 118 Rv. Daartoe voert zij aan dat BLI de verkoop en verhandeling van Green Dragon planten niet alleen verzorgt omdat zij niet is gevestigd in Kenia. De uitkomst van de onderhavige hoofdzaak heeft volgens Mappa c.s. dan ook (juridische) gevolgen voor BLI. 12.3. De rechtbank kan de redenering van Mappa c.s. niet volgen. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een derde onder omstandigheden kan worden opgeroepen, wanneer deze derde door de uitspraak in de betreffende hoofdzaak in zijn/haar rechten wordt geraakt. Daarvan is in de onderhavige procedure geen sprake. Door toe- of afwijzing van de vorderingen tegen Beauty Line (of Kolster of Danziger) wordt BLI niet geraakt in haar rechten. Er is dus geen sprake van een situatie waarbij BLI als derde is betrokken bij de materiële rechtsverhouding tussen Mappa c.s. en Kolster c.s. 12.4. Gelet op het voorgaande zal de vordering in het incident worden afgewezen. De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. 13 Het vervolg van de procedure in de hoofdzaak Bepaling mondelinge behandeling 13.1. De rechtbank ziet aanleiding een mondelinge behandeling te bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden (een schikking beproeven). Informatieverstrekking door partijen 13.2. Op grond van het bepaalde in artikel 87 lid 6 en artikel 21 Rv bestaat de mogelijkheid om vóór de mondelinge behandeling stukken in het geding te brengen. Advocaten dienen deze stukken, zo nodig voorzien van een korte toelichting op de relevantie ervan,