Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2022:7669
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,917 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4380
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser,
geboren op [geboortedag 1] 1959,
v-nummer: [v-nummer 1] ,
[eiseres 1]
, eiseres,
geboren op [geboortedag 1] 1980,
v-nummer: [v-nummer 2] ,
[eiser 2]
, eiser,
geboren op [geboortedag 2] 2004,
v-nummer: [v-nummer 3] ,
[eiser 3]
, eiser,
geboren op [geboortedag 3] 2007,
v-nummer: [v-nummer 4] ,
[eiseres 2]
, eiseres,
geboren op [geboortedag 4] 2012,
v-nummer: [v-nummer 5] ,
samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) afgewezen.
Bij besluit van 28 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Zij beogen verblijf bij referent, hun gestelde zoon en broer, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referent was bij het verlenen van de asielvergunning en het indienen van de mvv-aanvragen meerderjarig.
2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen. Voor wat betreft de aanvragen van de ouders van referent neemt verweerder aan dat er tussen referent en zijn ouders sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat referent niet vrijwillige stappen naar zelfstandigheid heeft gezet en daarmee nog tot het gezin van zijn ouders behoort. Verweerder heeft na uiteenzetting van alle relevante belangen de belangenafweging in het nadeel van de ouders van referent laten uitvallen. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de wetgever er niet voor heeft gekozen om meerderjarige kinderen en hun ouders te herenigen. Dit maakt dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting bestaat om ouders met hun meerderjarige kinderen te herenigen. Van dit soort bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Voor wat betreft de aanvragen van de broers en zus van referent stelt verweerder dat er geen beschermenswaardig gezinsleven is met referent, omdat niet gebleken is van hechte persoonlijk banden. Aan een belangenafweging bij de aanvragen van de broers en zus van referent komt verweerder dan ook niet toe. Verweerder heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd door de bezwaren van eisers kennelijk ongegrond te verklaren.
Waarom zijn eisers het niet eens met verweerder?
3. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot een belangenafweging, omdat het vaste beslispraktijk van verweerder was om mvv’s te verlenen bij jongvolwassen vluchtelingen die om hereniging met hun ouders vroegen. Gelet op het gelijkheidsbeginsel had verweerder moeten afzien van deze belangenafweging en eisers mvv’s moeten verlenen. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat verweerder terecht een belangenafweging heeft gemaakt dan is deze belangenafweging onjuist, althans ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder had zwaarder gewicht moeten toekennen aan de belangen van eisers en referent. In dit kader is relevant dat er objectieve belemmeringen zijn voor referent om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen en zij geen banden hebben met een derde land om gezinsleven uit te oefenen. Ook is er sprake van een subjectieve belemmering omdat referent zijn sociaal leven in Nederland heeft en geworteld is geraakt. In de belangenafweging heeft verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de belangen van de overheid. Een restrictief toelatingsbeleid is geen belang dat op zichzelf zwaarder weegt dan de belangen van eisers en referent. Ook aan het economisch belang van de overheid kent verweerder een onredelijk en onjuist belang toe. Gelet op de gunstige voorwaarden die de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft betrekt verweerder ten onrechte het middelenvereiste in de belangenafweging. Feitelijk maakt verweerder hierdoor gezinshereniging onmogelijk, omdat alle gezinsherenigers in beginsel op enige wijze een beroep doen op de openbare kas. Hoewel in het kader van artikel 8 van het EVRM het middelenvereiste een rol kan spelen, heeft verweerder onvoldoende waarde gehecht aan de inspanningen die referent verricht. Tot slot had verweerder referent of eisers in bezwaar moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De Gezinsherenigingsrichtlijn
4. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is op de aanvragen van eisers, omdat referent wettig in Nederland verblijft en gezinshereniging met derdelanders beoogt en geen van de uitzonderingen zich voordoen. Hoewel eisers onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn vallen, kunnen zij geen rechten ontlenen aan de Gezinsherenigingsrichtlijn. Broers en zussen zijn geen categorie gezinsleden die op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn in aanmerking komen voor gezinshereniging. Gezinshereniging van ouders met een meerderjarig kind wordt geregeld in artikel 4, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar dit is een facultatieve bepaling die niet door Nederland is geïmplementeerd. Dit betekent dat Nederland op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn ouders van meerderjarige kinderen geen toestemming hoeft te geven voor toegang en verblijf. Ook niet als dat kind in het bezit is van een vluchtelingenstatus. Volgens de hoogste bestuursrechter dient verweerder in deze gevallen wel een belangenafweging te maken op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Deze belangenafweging is gelijk aan de belangenafweging waartoe artikel 8 van het EVRM verplicht, waarbij artikel 8 van het EVRM niet op zo’n manier mag worden uitgelegd dat zij lidstaten een beoordelingsmarge ontzeggen. Met artikel 4, eerste lid, legt de Gezinsherenigingsrichtlijn lidstaten namelijk al verplichtingen op waardoor lidstaten in de door de richtlijn vastgestelde gevallen hereniging van bepaalde gezinsleden moeten toestaan zonder dat de lidstaten een beoordelingsmarge hebben. Dit alles betekent dat een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM feitelijk niet mag leiden tot implementatie van de facultatieve bepaling én eisers niet gevolgd kunnen worden in hun stelling dat de Gezinsherenigingsrichtlijn tot een gunstigere belangenafweging verplicht dan artikel 8 van het EVRM.
Artikel 8 van het EVRM – de ouders van referent
5. Niet in geschil is dat het jongvolwassenbeleid van toepassing is en dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen referent en eisers. De omstandigheid dat eisers nooit rechtmatig verblijf hebben gehad in Nederland, maakt dat er geen sprake is van inmenging in het familie- en gezinsleven.
6. Anders dan eisers betogen, leidt de constatering dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken niet per definitie (meer) tot inwilliging van de aanvraag. Volgens geldend beleid maakt verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, nadat is vastgesteld dat er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Dit geldend beleid is volgens de hoogste bestuursrechter niet onredelijk en in overeenstemming met rechtspraak van de Europese rechter. Gelet daarop is verweerder terecht overgegaan tot een individuele belangenafweging om te beoordelen of artikel 8 van het EVRM moet leiden tot gezinshereniging en dus verblijfsaanvaarding.
7. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt verder dat de rechter bij artikel 8 van het EVRM moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het gezinsleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante gegevens en belangen van eisers in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar afgewogen tegen het economisch belang van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Daarbij is in het voordeel van eisers meegewogen dat referent in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel, waardoor sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. In het nadeel van eisers heeft verweerder meegewogen dat referent op zichzelf woont, zijn eigen zaken regelt zonder zijn ouders en dus stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Daarnaast voorziet referent niet in zijn eigen levensonderhoud en huisvestiging, omdat hij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2022.
griffier rechter
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2321, r.o. 3.1) en artikel 3 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Zie artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:982, r.o. 11.2 en 11.3).
Zie paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:3761, r.o. 3.2 en 4).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:964, r.o. 4.1) en 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1503, r.o. 2.1).
AWB 21/897 (niet gepubliceerd).
ECLI:NL:RBOVE:2022:464.
Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.