ECLI:NL:RBDHA:2022:7389
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/632266 / KG ZA 22-635
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 18 juli 2022
in de zaak van
[eiseres]
te [plaats 1] , feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
eiseres,
advocaat mr. S. Ikiz te Maastricht,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier.
Tevens zijn aanwezig [eiseres] , vergezeld van haar advocaat, en mr. Smits namens de Staat, vergezeld van de advocaat van de Staat.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1 De gronden van de beslissing
1.1. [eiseres] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven:
1. de Staat te gebieden zo snel mogelijk, doch uiterlijk 19 juli 2022 vóór 16.00 uur, een schriftuur, houdende minstens twee grieven, op te stellen, waarin is opgenomen dat sprake is van:
- schending van het onbeperkte spreekrecht van [eiseres] als slachtoffer in de strafzaak, waardoor zij geen eerlijk proces heeft gehad en procedurele voorschriften zijn geschonden;
- een nietig onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak, aangezien de opgeroepen getuige niet is beëdigd alvorens hij een verklaring heeft afgelegd, welke verklaring wel is meegenomen in de bewijsoverwegingen, waardoor het strafproces geheel opnieuw dient te worden behandeld;
en dit schriftuur in te dienen bij de strafgriffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in de zaken met parketnummers [nummer 1] en [nummer 2] , althans een andere voorziening in goede justitie te bepalen zodat de grieven tijdig worden ingediend, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- indien niet tijdig voornoemd schriftuur is ingediend;
2. de Staat te verbieden het hoger beroep in te trekken dan wel de Staat te gebieden om uiterlijk acht weken van te voren [eiseres] te berichten alvorens eventueel het hoger beroep in te trekken;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.
De Staat voert verweer tegen het gevorderde.
1.2. Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.3. [eiseres] is onlangs een kort geding gestart tegen de Staat om te bewerkstelligen dat het Openbaar Ministerie (OM) tijdig hoger beroep en een schriftuur houdende grieven zou indienen tegen een vonnis van de politierechter in een strafrechtelijke procedure tegen haar buurman, welke procedure is gestart na een aangifte van [eiseres] en waarin zij is opgetreden als benadeelde partij. In die zaak heeft het OM gerekwireerd tot vrijspraak, omdat (kort gezegd) volgens het OM onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig was om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten (belediging en bedreiging) te komen. De politierechter heeft na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting mondeling vonnis gewezen en de verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. [eiseres] heeft het OM vervolgens verzocht hoger beroep in te stellen omdat naar haar mening haar spreekrecht als slachtoffer in de strafzaak is geschonden en een getuige volgens haar ten onrechte niet is beëdigd. Het OM heeft bij e-mail bericht van 23 juni 2022 geweigerd hoger beroep in te stellen en daarbij te kennen gegeven de visie dat [eiseres] onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van haar spreekrecht niet te delen en er op gewezen dat ter zitting reeds afstand is gedaan van hoger beroep. [eiseres] heeft zich niet neergelegd bij de afwijzing en is een kort geding gestart.
1.4. De voorzieningenrechter heeft de Staat in dat kort geding bij vonnis van 4 juli 2022 geboden om tijdig hoger beroep in te stellen. De voorzieningenrechter heeft in dat vonnis voorop gesteld dat gezien de plaats en de taak van het OM in het Nederlandse rechtsbestel en het vervolgingsmonopolie van het OM, het OM een grote mate van beleidsvrijheid geniet. De wet voorziet niet in (voorafgaand) rechterlijk toezicht door de burgerlijke rechter op de wijze waarop het OM beslist tot het instellen dan wel afzien van hoger beroep. Afwegingen die het OM daarbij maakt zullen dan ook in beginsel moeten worden gerespecteerd. Voor de voorzieningenrechter bestaat hoogstens aanleiding tot ingrijpen (door het geven van een gebod of verbod) indien keuzes die het OM maakt in redelijkheid niet navolgbaar zijn, althans niet begrijpelijk zijn gemotiveerd.
1.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter deed in die zaak die uitzonderlijke situatie zich voor omdat, kort gezegd, de beslissing zoals die door het OM aan [eiseres] was gecommuniceerd was gebaseerd op evident onjuiste feitelijke gronden. In de motivering van de beslissing stond immers dat er geen onterechte beperking van het spreekrecht van de benadeelde had plaatsgevonden, terwijl dat wel het geval was, (hetgeen de Staat ook heeft erkend) en dat het OM ter zitting reeds afstand had gedaan van haar recht om hoger beroep in te stellen, terwijl gebleken is dat ook dat niet juist was. Gelet daarop was er volgens de voorzieningenrechter sprake van een beslissing die in redelijkheid niet navolgbaar was, omdat de gegeven motivering voor de beslissing (mede) was gebaseerd op voormelde onjuiste uitgangspunten. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat niet kon worden vastgesteld of een afweging op juiste feitelijke gronden zou moeten leiden tot het instellen van hoger beroep, maar omdat de termijn om hoger beroep in stellen kort na het wijzen van het vonnis verliep, heeft de voorzieningenrechter de vordering om hoger beroep in te stellen toegewezen ter sauvering van die termijn.
1.6. De vordering om tijdig een schriftuur houdende grieven in te dienen is in voormeld vonnis afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in dat kader overwogen dat het OM, desgewenst na verder overleg met [eiseres] , na een nadere inhoudelijke afweging te hebben gemaakt op juiste feitelijke gronden, kan bezien of zij het hoger beroep wenst te handhaven en van grieven wil dienen of het alsnog wil intrekken. De voorzieningenrechter heeft bij die stand van zaken in het midden gelaten of het niet beëdigen van een getuige reden dient te zijn om het appel in te stellen en overwogen dat die omstandigheid in de nadere afwegingen van het OM kan worden betrokken.
1.7. Het OM heeft daarna tijdig hoger beroep ingesteld. Op 14 juli 2022 heeft het OM, na overleg met de advocaat-generaal van het ressortsparket Den Bosch, besloten om het hoger beroep in te trekken.
De voorzieningenrechter:
2.1. wijst het gevorderde af;
2.2. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
De griffier is buiten staat te tekenen mr. S.J. Hoekstra-van Vliet