Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-13
ECLI:NL:RBDHA:2022:7180
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,809 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.8541
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Jalouqa).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak met nummer NL22.8542, op 16 juni 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Liberiaanse nationaliteit.
2. Op 3 januari 2020 is eiser met een Schengenvisum Nederland ingereisd. Eisers visum is verlengd tot 13 juli 2020. Op 27 mei 2021 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze aanvraag heeft hij echter weer ingetrokken.
3. In deze zaak gaat het om de asielaanvraag van eiser van 4 oktober 2021. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat in oktober 2020 zijn moeder, [naam 1], is vermoord en dat in maart 2021 zijn broertje is vermoord. Daarnaast heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in de negatieve aandacht van de Liberiaanse autoriteiten staat omdat hij zich in een radioprogramma kritisch heeft uitgelaten over een corruptieschandaal en omdat hij sinds zijn komst naar Nederland politiek actief is op Facebook.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde moord op zijn moeder en broertje en de door eiser gestelde kritische uitlatingen in het radioprogramma heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht. De activiteiten op Facebook heeft verweerder wel geloofwaardig geacht, maar deze komen volgens verweerder niet voort uit een fundamentele politieke overtuiging. Eiser heeft volgens verweerder in Liberia dan ook niet te vrezen voor vluchtelingschap of ernstige schade. De aanvraag is als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eisers verklaringen volgens verweerder kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn met de door hemzelf overgelegde documenten. Ook is niet ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij het bestreden besluit is verder bepaald dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Liberia en dat tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren wordt uitgevaardigd.
5. In beroep is eiser in zoverre teruggekomen op zijn verklaringen, dat [naam 1] niet zijn moeder is maar een goede vriendin en dat zijn biologische vader is overleden tijdens de Liberiaanse burgeroorlog. Tegen het bestreden besluit voert eiser aan dat niet duidelijk is welke afwijzingsgrond is gehanteerd, dat het in Liberia niet veilig is, dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de landeninformatie over Liberia, dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend en dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Ter zitting is gebleken dat op het fysieke exemplaar van het bestreden besluit van de gemachtigde van eiser het gedeelte van de tekst op de eerste pagina waarin onder meer de afdoeningsgrond staat opgenomen is weggevallen. Niet langer in geschil is dat eisers asielaanvraag is afgedaan als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.
7. Volgens eiser is mogelijk artikel 15, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) op hem van toepassing. Daarin is neergelegd dat ernstige schade (onder meer) bestaat uit bestraffing in het land van herkomst. In zijn relaas stelt eiser arbitrair bestraft te kunnen worden in Liberia. Ook stelt eiser dat verweerder op dit punt onvoldoende acht heeft geslagen op de door hem aangehaalde landeninformatie zoals neergelegd in het rapport ‘2021 Country Reports on Human Rights Practices: Liberia’ van het U.S. Department of State.
8. Het ligt in de eerste plaats op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk een reëel risico op ernstige schade loopt. Dit volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing is neergelegd. Bij wijze van voorbeeld verwijst de rechtbank naar het arrest van 23 maart 2016 in de zaak F.G. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111, in het bijzonder punt 113. Eiser is hierin niet geslaagd: een verwijzing naar algemene landeninformatie is daarvoor onvoldoende, terwijl niet bestreden is dat zijn relaas ongeloofwaardig is.
9. Omdat eiser zijn asielaanvraag niet binnen zes maanden na inreis in Nederland heeft ingediend, heeft verweerder niet ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Wat eiser daartegen in beroep heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een dergelijke vergunning ten onrechte aan eiser heeft onthouden.
10. Gelet op het voorgaande is eisers asielvergunning terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw heeft verweerder daarom kunnen bepalen dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Liberia. Dit brengt op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw met zich dat tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren wordt uitgevaardigd. Op grond van het achtste lid kan verweerder echter afzien van de uitvaardiging van een inreisverbod. In de stelling dat eiser door het inreisverbod niet meer in Nederland kan studeren, heeft verweerder daarvoor geen aanleiding hoeven zien. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om de beoogde studie buiten de Europese Unie te volgen.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.