Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-01-24
ECLI:NL:RBDHA:2022:666
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,956 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigde: A.K. Nijland).
Procesverloop
In het besluit van 1 september 2018 (primair besluit 1) heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) op basis van een persoonsgebonden budget (pgb) ter grootte van € 3.190,49 (tarief informeel).
In het besluit van 11 juni 2019 (primair besluit 2) heeft verweerder eiser met ingang van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024 op grond van de Wmo 2015 de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis intensief toegekend in de vorm van zorg in natura.
In het besluit van 11 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft niet zelf aan de zitting deelgenomen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Deze heeft door middel van een telefoonverbinding daaraan deelgenomen. Verweerder heeft, zoals van tevoren aangekondigd, niet aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat primair besluit 1 (van 1 september 2018) inmiddels is achterhaald door het besluit van 11 december 2018. Bij laatstgenoemd besluit is de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning die eiser had op grond van de Wmo 2015 in de vorm van een pgb voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 omgezet in zorg in natura. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 december 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:13578) op eisers beroepen met registratienummers SGR 19/3266 en 19/3274 deze omzetting naar zorg in natura in orde bevonden. Het hoger beroep tegen die uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard en het verzet daartegen ongegrond. Dat betekent dat de indicatie en de vorm van de zorg voor deze periode daarmee vaststaat.
1.1
Uit het voorgaande volgt dat primair besluit 1 in zijn geheel zijn betekenis heeft verloren. Het daartegen gerichte bezwaar had verweerder daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient wat betreft het bezwaar tegen primair besluit 1 te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk te verklaren.
1.2
Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijft voor de rechtbank in dit beroep nog te beoordelen of verweerder eiser voor de periode na juli 2019 terecht zorg in natura heeft verstrekt.
2. Voor zover het bestreden besluit ziet op de handhaving van primair besluit 2 berust dat op het standpunt dat niet is gebleken dat het besluit voor onjuist zou moeten worden gehouden. Naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar heeft verweerder geoordeeld dat een nader (medisch) onderzoek noodzakelijk was om vast te kunnen stellen welke voorziening passend en toereikend moet worden geacht. Verweerder heeft MO-zaak gevraagd medisch advies uit te brengen. MO-zaak kreeg geen toestemming van eiser om medische gegevens op te vragen. Uiteindelijk heeft MO-zaak advies uitgebracht. Eiser heeft verweerder echter geen toestemming gegeven om de advisering van MO-zaak te gebruiken. Dit heeft tot gevolg dat verweerder de beslissing op bezwaar moet baseren op de informatie die wel beschikbaar is.
3. Eiser betwist het medisch onderzoek te hebben vertraagd. Hij vindt dat verweerder zijn beperkingen onvoldoende in kaart heeft gebracht. Hij verwijst ter onderbouwing naar het rapport van 3 februari 2020 van dr. mr. drs. D. Rambocus, medisch adviseur, van welk rapport hij stelt dit reeds te hebben overgelegd. Volgens eiser moet verweerder instaan voor de deskundigheid van de medisch adviseur die hij inschakelt. Eiser vraagt de rechtbank het beroep en bezwaar gegrond te verklaren, het pgb-budget van eiser alsnog te verhogen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. Eiser vraagt de rechtbank te bepalen hoeveel uur huishoudelijke ondersteuning hem toekomt. Eiser heeft ook nog verwezen naar zijn in bezwaar aangevoerde gronden en wil deze hier herhaald en ingelast zien. Die komen er op neer dat een pgb toereikend moet zijn om in ieder geval de geïndiceerde zorg bij ten minste één aanbieder te kunnen inkopen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het toegekende tarief toereikend is. Tegen primair besluit 2 heeft eiser in bezwaar aangevoerd dat de medische advisering niet professioneel en integer tot stand is gekomen.
4. De rechtbank beoordeelt het beroep als volgt.
4.1
Verweerder heeft eiser in redelijkheid een indicatie kunnen geven voor een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura. Deze rechtbank heeft voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 al eerder geoordeeld dat dit het geval was. De rechtbank ziet niet in dat dat voor de in geding zijnde periode anders zou moeten zijn. Eiser heeft dit in ieder geval niet aan de hand van medische stukken aannemelijk gemaakt. Het rapport van medisch adviseur Rambocus, waar eiser naar verwijst, bevindt zich niet bij de stukken die door verweerder zijn ingediend en is ook niet door eiser in beroep overgelegd.
4.2
Eiser heeft ter zitting nog een verklaring van een psycholoog genoemd, maar de rechtbank stelt vast dat ook die verklaring niet in het dossier zit en ook niet door eiser in beroep is overgelegd. Deze door eiser genoemde verklaring leidt dus niet tot een ander oordeel.
4.3
Eiser heeft gelet op het voorgaande niet aan de hand van een contra-expertise aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust en dat de indicatie van de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura onjuist is geweest. Wat eiser heeft aangevoerd levert geen aanknopingspunten op voor het oordeel dat verweerder hem zorg in de vorm van een pgb had moeten toekennen in plaats van zorg in natura.
4.4
Wat eiser verder nog heeft aangevoerd heeft geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit. De rechtbank laat die gronden hier dan ook verder onbesproken.
5. Het beroep voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 2 is ongegrond.
6. Nu het beroep voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 1 gegrond zal worden verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 748,- en een wegingsfactor 1). Verder dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
7.1
Ten aanzien van de ter zitting gestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de rechtbank het volgende.
7.2
De redelijke termijn is voor een procedure als deze in twee instanties in beginsel niet overschreden als die in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en die van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Onder omstandigheden kan een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn, maar de rechtbank ziet daarvoor in dit geval geen aanleiding. Hoewel aanwijzingen in het dossier zijn te vinden dat eiser in de lange behandelingsduur een aandeel heeft gehad, had verweerder toch binnen een half jaar kunnen en moeten beslissen op het bezwaar.
7.3
Dit betekent het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerder op 22 oktober 2018 van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van deze rechtbank zijn drie jaar en drie maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder een jaar en ruim anderhalve maand geduurd. De behandeling van het beroep heeft twee jaar en een week geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Een deel van die overschrijding van de redelijke termijn komt voor rekening van de Staat en een deel voor die van verweerder.
7.4
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Er is geen aanleiding hiervan af te wijken. Dit leidt in het onderhavige geval, waarbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en drie maanden, tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, in totaal € 1.500,-. Voor zijn aandeel in die overschrijding wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-. Het college van burgemeester en wethouders van Leiden wordt veroordeeld om aan eiser een bedrag van € 1.000,- te betalen.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 1 gegrond;- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;- verklaart het bezwaar tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk;- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiser van een bedrag van € 500,-;- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade aan eiser van een bedrag van € 1.000,-;- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 48,-, vergoedt;- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2022.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak mee te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 oktober 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:2655 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2655) en van 16 april 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:857 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:857)
zie de uitspraak van de CRvB van 10 oktober 2019; ECLI:NL:CRVB:2019:3265
zie de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009