Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2022:6609
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,716 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.5987 en AWB 22/2565
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2022 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon).
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder 1,
alsmede
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder 2,
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder 1 besloten om eiser per 6 april 2022 op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) te plaatsen in een Handhaving en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen.
Bij besluit van 6 april 2022 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder 2 aan eiser de maatregel van beperking van vrijheid van beweging opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft tegen beide besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 staat geregistreerd onder zaaknummer AWB 22/2565. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 staat geregistreerd onder zaaknummer NL22.5987. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL22.6325.
De rechtbank heeft de beroepen gevoegd op 29 april 2022 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser heeft het beroep per telefoon toegelicht in verband met technische problemen van de rechtbank. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Verweerder 1 heeft besloten om eiser met ingang van 6 april 2022 in de HTL te Hoogeveen te plaatsen. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Eiser werd op 30 maart 2022 opgedragen het terrein van het AZC Heerhugowaard te verlaten in verband met een eerdere maatregel, waarbij hij zich moest melden in Luttelgeest als time-out plek. Omdat eiser dit weigert, heeft verweerder 1 besloten het slot van eiser zijn kamer te vervangen. Eiser is vervolgens op meerdere manieren agressief geweest, zowel verbaal als fysiek. Eiser heeft medewerkers van het AZC Heerhugowaard op onbeschofte wijze uitgescholden. Toen eiser werd gevraagd een ruimte te verlaten, heeft hij als reactie op dit verzoek een medewerker tot bloedens toe gebeten.
2. Verweerder 2 heeft eiser door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel verplicht om zich met ingang van 6 april 2022 op te houden in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bijgevoegde plattegrond aangegeven gebieden. Eiser dient zich in het kader van de maatregel op te houden in de HTL te Hoogeveen. Volgens verweerder 2 vordert het belang van de openbare orde het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000. Ter zake wordt verwezen naar het plaatsingsbesluit van 6 april 2022, waarin de incidenten die zich hebben voorgedaan zijn toegelicht. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel.
3. Eiser stelt ten aanzien van het bestreden besluit 1 - samengevat weergegeven – dat hij geen ontoelaatbaar grensoverschrijdend antisociaal wangedrag jegens het personeel heeft getoond dat plaatsing in een HTL rechtvaardigt. Eiser betwist niet dat er op 30 maart 2022 een incident heeft plaatsgevonden. Eiser stelt dat verweerder 1 ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan zijn kant van het verhaal alsmede zijn persoonlijke omstandigheden. Omdat eiser zich in een immer uitzichtloze situatie bevindt, stelt hij hierdoor te kampen met zowel lichamelijke als mentale klachten. Op de dag van het incident kreeg eiser te horen dat hij niet langer op zijn kamer mocht verblijven. Eiser raakte direct in paniek omdat hij geen gesprekken met de IND zou mogen missen. Zoals eiser reeds heeft verklaard heeft het daarop volgende incident dusdanig veel angst en pijn opgeleverd, doordat meerdere mensen bij het incident betrokken waren en hij door hen tegen de grond werd gehouden, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij dood zou gaan. Eiser stelt dat hij geen adem kon halen en daarom geprobeerd heeft om onder deze situatie uit te komen. Eiser betwist niet dat daarbij geweld is gebruikt, maar stelt dat hij geen andere uitweg zag. Eiser heeft meermaals verklaard over traumatische gebeurtenissen in het verleden. Door deze gebeurtenissen en de hieruit voortvloeiende klachten kan zijn gedrag soms als provocerend overkomen en dat bemoeilijkt het soms om met eiser om te gaan. Juist in het kader van een belangenafweging dient rekening te worden gehouden met dit soort omstandigheden. Verweerder 1 heeft volgens eiser onvoldoende kenbaar onderzoek gedaan naar het opleggen van een lichter middel. Tot slot stelt eiser dat geen duur is gekoppeld aan het bestreden besluit 1. Mede in het kader van de rechtszekerheid is het voor eiser van groot belang om te weten waar hij aan toe is en aldus wat de duur van het bestreden besluit 1 bedraagt.
4. Ten aanzien van het bestreden besluit 2 voert eiser aan dat zijn gedrag de vrijheidsbeperkende maatregel niet rechtvaardigt. Verweerder 2 heeft ten onrechte nagelaten om een belangenafweging plaats te laten vinden en eiser voldoende in de gelegenheid te stellen om te reageren op hetgeen heeft plaatsgevonden. Verweerder 2 is ten onrechte volledig uitgegaan op de juistheid van het bestreden besluit 1. Verweerder 2 heeft verder volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn traumatische gebeurtenissen in het verleden, alsmede hetgeen op 30 maart 2022 heeft plaatsgevonden.
5. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat het verweerschrift van verweerder 1 niet tijdig is ingediend en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. Ook is namens eiser een aanhoudingsverzoek gedaan om stukken van de asielprocedure aan het dossier toe te voegen. Tot slot is namens eiser aangevoerd dat de vertegenwoordiger van verweerder 2 niet gemachtigd is om het beroep op zitting toe te lichten, omdat de machtiging van verweerder 2 slechts een algemene machtiging betreft uit 2020.
6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het bestreden besluit 1 als volgt.
6.1.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er, zo voert eiser aan, sprake is van strijd met de goede procesorde omdat het verweerschrift 1 dag voor de zitting is ingediend. Hoewel eiser terecht klaagt dat het verweerschrift 1 dag voor de zitting is overgelegd, heeft eiser niet aangevoerd dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het verweerschrift en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de goede procesorde in dit geval is geschaad. Verder is van belang dat het verweerschrift grotendeels een weergave bevat van het juridisch kader en maatregelenbeleid van verweerder en voor het overige van beperkte omvang is, en verweerders niet verplicht zijn om voorafgaand aan de zitting een verweerschrift in te dienen. Het verweerschrift kan daarom bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. De rechtbank merkt in dit verband verder op dat alle partijen op 25 april 2022 is medegedeeld dat op 29 april 2022 het beroep op zitting zal worden behandeld waarbij verweerder 1 in de gelegenheid is gesteld om een verweerschrift in te dienen waardoor er slechts kort tijd bestond voor het indienen van een verweerschrift.
6.2.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de machtiging, welke als bijlage bij het verweerschrift van verweerder 1 is gevoegd, geldig is. De rechtbank is van oordeel dat uit de machtiging die door mr. [vertegenwoordiger] namens verweerder 1 is opgestuurd bij het verweerschrift blijkt dat verweerder 1 alle procesvertegenwoordigers van verweerder 2 bepaaldelijk gevolmachtigd heeft om in rechte op te treden in geschillen op het terrein van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen die dienen bij de Vreemdelingenkamers, nevenzittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Nu gemachtigde mr. J.P.M. Wuite procesvertegenwoordiger en/of stafmedewerker juridische zaken van verweerder 2 is, is hij bevoegd om in rechte op te treden in geschillen op het terrein van de opvang. Het is niet nodig dat hij separaat wordt gemachtigd. Het is bovendien vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2016:2169, dat noch artikel 8:24 Awb noch enige andere rechtsregel in de weg staat aan het verlenen van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijke handelingen. Dat de machtiging na een verloop van twee jaar niet meer geldig is of in een specifieke zaak moet worden afgegeven, is niet aangetoond en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Hetgeen de gemachtigde namens verweerder 1 ter zitting naar voren heeft gebracht zal door de rechtbank bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder 1 op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten om eiser naar de HTL over te plaatsen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat het doorslaggevende incident van 30 maart 2022 uitgebreid is beschreven in het plaatsingsbesluit. De rechtbank gaat uit van het incident zoals dat beschreven is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet betwist dat er op 30 maart 2022 een incident heeft plaatsgevonden waarbij door hem geweld is gebruikt. De enkele stelling van eiser dat hij geen andere uitweg zag, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit 1, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betrekking hebbend op het bestreden besluit 2, staat geen rechtsmiddel open.