Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-06-08
ECLI:NL:RBDHA:2022:5685
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,489 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4337
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Marokko, eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder)
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2021 (primaire besluit) is de namens eiseres ingediende aanvraag voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij echtgenoot’ afgewezen.
Bij besluit van 14 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1956 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres wenst verblijf bij haar echtgenoot (referent). Haar aanvraag is afgewezen omdat zij al geruime tijd niet rechtmatig in Nederland verblijft en haar mvv-procedure dus niet in haar land van herkomst heeft afgewacht.
Wat vindt eiseres in beroep?
2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat ze niet terug kan naar Marokko om daar de mvv-procedure af te wachten. Haar echtgenoot is ernstig ziek en zij moet hem verzorgen. Om die reden is zij met een visum kort verblijf naar Nederland gekomen. Gelet op deze omstandigheden had verweerder eiseres moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Daarnaast voldoet eiseres aan alle voorwaarden voor een mvv. Ook heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de regeling ‘Tijdelijke versoepeling mvv-vereiste vanwege COVID-19.’ Tot slot is eiseres ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Mvv
3. Vast staat dat eiseres de mvv procedure niet in haar land van herkomst heeft afgewacht. Zij is op 6 november 2020 Nederland ingereisd met een visum voor kort verblijf en is na het verstrijken van de geldigheidsduur hier, niet rechtmatig, gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook kunnen concluderen dat eiseres haar visum oneigenlijk heeft gebruikt om de toelatingsprocedure te omzeilen. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag van eiseres kunnen afwijzen. De stelling dat zij niet in staat zou zijn geweest de procedure af te wachten gelet op de medische situatie van referent is niet met stukken onderbouwd.
Hardheidsclausule
4. De hardheidsclausule is van toepassing als een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is ingediend. Nu het in onderhavige zaak gaat om een mvv-aanvraag hoefde verweerder niet hieraan te toetsen. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling slaagt daarom ook niet.
Tijdelijke versoepeling
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet viel onder de specifieke doelgroep voor wie de regels met betrekking tot het mvv-vereiste vanwege COVID-19 waren versoepeld. Dit beleid gold, kort samengevat, voor vreemdelingen die door de reisbeperkingen vanwege het coronavirus niet konden terugreizen naar het land van herkomst en van wie de IND de mvv-aanvraag heeft goedgekeurd toen de vreemdeling in Nederland was. Vast staat dat de mvv-aanvraag van eiseres niet is ingewilligd en dat niet is gebleken dat ze door reisbeperkingen niet kon terugkeren naar Marokko.
Hoorplicht
6. Tot slot wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiser, mocht verweerder afzien van het horen van eiser.
Wat is de conclusie?
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001, r.o. 4.4-4.5.
Zie artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling, 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001, r.o. 4.4-4.5.