Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2022:5498
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,419 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8095
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.8096, op 25 mei 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Georgische nationaliteit te bezitten.
2. Op 14 november 2012 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 9 januari 2013 niet in behandeling genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk was. Dit besluit staat in rechte vast. Op 28 juni 2019 heeft eiser voor de tweede keer een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 8 juni 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het hiertegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, bij uitspraak van 31 augustus 2020 gegrond verklaard. Bij besluit van 21 mei 2021 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 14 september 2019 het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Op 2 april 2022 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat politieagenten bij zijn huis in Georgië langs zijn geweest en geïnformeerd hebben naar de verblijfplaats van eiser en zijn broer.
4. Verweerder heeft eisers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hiermee heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder heeft overwogen dat de door eiser aangevoerde problemen niet zijn onderbouwd met documenten. Daarnaast zijn eisers problemen met lager geplaatste politiefunctionarissen reeds in de vorige asielprocedure geloofwaardig geacht. In deze procedure worden de problemen niet als nieuw element aangemerkt op basis van de enkele verklaring van eiser dat de politie nog een keer langs is geweest. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken dat eiser in Georgië bescherming heeft gevraagd voor zijn problemen.
5. Eiser voert aan dat de omstandigheid dat de politie bij zijn huis is langs geweest en geïnformeerd heeft naar zijn verblijfplaats wel degelijk dient te worden aangemerkt als een nieuw element. Verder voert eiser aan dat van hem niet kan worden verwacht dat hij om bescherming vraagt in Georgië.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 21 mei 2021 in rechte vaststaat. In dat besluit heeft verweerder overwogen dat onder meer geloofwaardig wordt geacht dat eiser te maken heeft gehad met pesterijen en agressie door de politie naar aanleiding van het delen van beeldmateriaal van een aanvaring van zijn broer met de politie evenals dat eiser in de gaten wordt gehouden door de politie, dat er een poging tot ontvoering door politieagenten is geweest en dat er een huiszoeking heeft plaatsgevonden. In de uitspraak van 14 september 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Georgische (hogere) autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat van eiser verwacht mag worden dat hij in verband met zijn gestelde problemen eerst alle middelen in zijn land van herkomst uitput alvorens hij zich tot de autoriteiten van een ander land wendt met het verzoek om internationale bescherming.
7. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de verklaring van eiser over het politiebezoek niet kan worden aangemerkt als nieuw element dat de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt, omdat deze verklaring op geen enkele wijze met documenten is onderbouwd. Daar komt bij dat de problemen met de politieagenten reeds geloofwaardig zijn geacht in de vorige asielprocedure. Eiser wordt voorts niet gevolgd in zijn stelling dat het niet mogelijk is voor hem om bescherming te vragen bij de (hogere) Georgische autoriteiten, nu deze stelling niet nader geconcretiseerd en onderbouwd is.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2020:8450.
Zaaknummer NL21.8117, niet gepubliceerd.
Vreemdelingenwet 2000.