Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2022:5028
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
3,657 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.628
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiseres
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiseres heeft op 13 januari 2022 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2021 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam 2] (referent) en A. Dogan (tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] en referent is geboren op [geboortedatum 2]. Beiden hebben de Syrische nationaliteit. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt de moeder te zijn van referent.
2. Op 11 september 2019 heeft referent een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM ingediend voor eiseres. Eiseres is een alleenstaande weduwe van 64 jaar oud. Zij is samen met referent, zijn echtgenote en de minderjarige kinderen van referent, vanuit Syrië naar Turkije gevlucht. De andere twee zonen van eiseres hebben een verblijfsvergunning in Duitsland, haar twee dochters verblijven in Iraaks Koerdistan. Eiseres verblijft in Turkije en kan niet terugkeren naar Syrië gezien de situatie in dat land. Zij heeft medische klachten. Ze lijdt aan diabetes type 2, kampt met een verhoogde bloeddruk, een te hoog cholesterol en een lumbale schijfhernia. Daarnaast heeft ze nierproblemen en een slecht zicht. Hiervoor is zij onder controle in het ziekenhuis en wordt behandeld voor haar klachten.
3. Aan de echtgenote en kinderen van referent is op 26 april 2021 een mvv voor nareis afgegeven. Zij verblijven bij referent in Nederland.
4. Verweerder heeft de mvv-aanvraag voor eiseres bij besluit van 28 april 2021 afgewezen. Verweerder twijfelt niet aan de identiteit van eiseres maar stelt zich op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt. Ten overvloede overweegt verweerder in dat besluit dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Niet gebleken is immers dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Ook is niet gebleken dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en de kinderen van referent.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
De beroepsgronden
6. Eiseres voert aan dat de familierechtelijke relatie tussen haar en referent wel degelijk is aangetoond, dan wel aannemelijk is gemaakt. Eiseres stelt dat het op de weg van verweerder had gelegen om, gelet op de bij verweerder bestaande twijfel over die familierechtelijke relatie, een DNA-onderzoek aan te bieden en/of te horen in bezwaar. In beroep heeft eiseres ter nadere onderbouwing van die familierechtelijke relatie enkele pagina’s van de verslagen overgelegd van de gehoren van referent in zijn asielprocedure en een (vertaalde) kopie van het volledige familieboekje van het gezin van eiseres.
Ook is volgens eiseres aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt, dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent en van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen. Verweerder had eiseres (en/of referent) moeten uitnodigen voor een hoorzitting, zodat die meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en die hechte persoonlijke banden nader onderbouwd hadden kunnen worden.
Beoordeling
7. Verweerder heeft de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiseres niet op goede gronden gehandhaafd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De familierechtelijke relatie
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder op de zitting zijn standpunt naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 januari 2022 en de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2022 heeft bijgesteld. In de eerst genoemde uitspraak heeft de Afdeling, onder meer, uiteengezet dat verweerder expliciet bij de beoordeling van nareiszaken moet betrekken of er gelet op het overgelegde bewijsmateriaal en de afgelegde verklaringen aanleiding bestaat aan de vreemdeling het voordeel van de twijfel te gunnen. In de tweede uitspraak heeft de Afdeling bepaald dat het in die eerste uitspraak benoemde beoordelingskader voor nareiszaken ook relevantie heeft voor reguliere zaken. Verweerder stelt in beroep nog steeds onvoldoende aanleiding te zien om de familierechtelijke relatie aan te nemen en eiseres het voordeel van de twijfel te gunnen. Verweerder stelt zich in beroep primair op het standpunt dat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt. Subsidiair, en dus niet langer “ten overvloede”, stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van een te beschermen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
9. De rechtbank zal dan ook eerst ingaan op het primaire standpunt van verweerder.
De rechtbank stelt vast dat de naam van eiseres in een aantal door eiseres overgelegde documenten vermeld staat als zijnde de moeder van referent. Dat betreft:
het bij de aanvraag overgelegde familieboekje van referent. Dit document is door Bureau Documenten echt bevonden.
De op 29 november 2020 overgelegde kopie uittreksel familie-inschrijving uit het burgerlijk register van Arabisch Syrische burgers, met vertaling.
De op die datum overgelegde kopie uittreksel uit de huwelijksakte van referent, met vertaling.
De bij de gronden van bezwaar overgelegde kopie van het paspoort van referent.
- De op 13 juli 2021 overgelegde kopie van het uittreksel individuele registratie bij de burgerlijke stand van referent.
Eiseres heeft met deze documenten wel degelijk een begin van bewijs geleverd van het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen haar en referent. Verweerder heeft eiseres ten onrechte tegengeworpen dat haar overige persoonsgegevens niet in deze documenten staan vermeld en heeft onvoldoende meegewogen dat referent in zijn asielgehoren eveneens de naam van eiseres heeft genoemd als zijnde zijn moeder. Verweerder had op grond van deze documenten reden moeten zien om, alvorens te beslissen op het bezwaar, over te gaan tot nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie.
10. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld ook naar aanleiding van het in beroep overgelegde complete familieboekje geen reden te zien om alsnog nader onderzoek aan te bieden. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 17 maart 2020 eiseres er op heeft gewezen dat haar aanvraag niet compleet is en haar onder meer heeft gevraagd alsnog een kopie van officiële documenten ter onderbouwing van de gestelde familierechtelijke relatie met referent over te leggen. Daarbij is het familieboekje als voorbeeld genoemd en is uitgelegd waarom de bij de aanvraag overgelegde incomplete kopie van het familieboekje niet voldoet. Aan eiseres is de mogelijkheid geboden de gevraagde documenten alsnog over te leggen binnen de in die brief gestelde termijn. Aan eiseres kan weliswaar worden toegerekend dat zij dit volledige familieboekje niet binnen die termijn maar zelfs pas in beroep heeft overgelegd en aan verweerder niet heeft kenbaar gemaakt dat zij dit niet eerder kon overleggen. Dit brengt echter niet met zich mee dat dit volledige familieboekje geen aanleiding had moeten zijn voor verweerder om alsnog nader onderzoek te doen naar de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent. Immers, dit volledige familieboekje van eiseres vermeldt referent als zoon van eiseres en levert daarmee, naast de al voor het bestreden besluit overgelegde documenten, een extra indicatie voor het bestaan van deze familierechtelijke relatie.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire standpunt van verweerder niet in stand kan blijven. De rechtbank zal hierna ingaan op het subsidiaire standpunt van verweerder.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
12. Het is vaste jurisprudentie van het EHRM dat pas kan worden gesproken van een beschermenswaardig gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’); er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). Het EHRM heeft dat bijvoorbeeld overwogen in rechtsoverweging 32 van het arrest in de zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk.
Uit de jurisprudentie van het EHRM, waaronder het arrest van Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, volgt verder dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.
Volgens de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019 is voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een ouder en een niet-jongvolwassen meerderjarig kind vereist dat ‘more than the normal emotional ties’ bestaan, dat voor deze ‘ties’ onder meer financiële of materiële afhankelijkheid van belang kan zijn en dat verweerder hierbij zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven.
13. Verweerder weegt bij de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent mee dat eiseres niet met documenten heeft onderbouwd dat referent ook na zijn huwelijk in 2012 met eiseres en zijn gezin in gezinsverband is blijven samenwonen tot aan zijn vertrek naar Nederland. Bovendien brengt een eventuele samenwoning volgens verweerder nog niet met zich dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, aangezien het in de Syrische cultuur gebruikelijk is dat kinderen na hun huwelijk voor hun ouders zorgen en/of hen in huis nemen. Ook weegt verweerder mee dat niet is aangetoond dat referent structureel een financiële bijdrage levert aan eiseres en dat eiseres niet exclusief financieel afhankelijk van referent is. Volgens verweerder is ook niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer sterke emotionele afhankelijkheid bij eiseres van referent. Over de medische situatie van eiseres heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken welke zorg eiseres nodig heeft en dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent en zijn echtgenote specifiek degenen zijn die die zorg dienen te verstrekken.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig beoordeeld of alle omstandigheden van eiseres, in onderlinge samenhang bezien, maken dat sprake is van daadwerkelijke hechte persoonlijke banden die een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent opleveren. Verweerder geeft er namelijk onvoldoende blijk van rekening te hebben gehouden met het gegeven dat eiseres als Syrische vluchtelinge in Turkije verblijft.
Conclusie
18. De rechtbank concludeert dat verweerder in dit specifieke geval aanleiding had moeten zien om nader onderzoek te doen en eiseres en/of referent te horen. Door dit niet te doen heeft verweerder onzorgvuldig en in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) gehandeld. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.
19. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.518 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2022:245.
ECLI:NL:RVS:2022:969.
Van 16 juni 2021.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, 12 juni 2010, no. 47486/06, www.echr.coe.in
Zaak Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, 17 april 2012, no. 1598/06, www.echr.coe.int
ECLI:NL:RVS:2019:1003