Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2022:4208
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.13572
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 april 2022 op zitting behandeld te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Kurdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Iraakse nationaliteit te bezitten.
Op 28 juni 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft. Op zijn veertiende kreeg eiser een geheime relatie met [naam 2]. In 2014 of 2015 werd [naam 2] uitgehuwelijkt door zijn familie. Eiser durfde geen nieuwe relatie aan te gaan met een man, omdat hij vreesde dat dit ontdekt zou worden en zijn familie hem zou verstoten of dat hij gedood zou worden. Eiser is daarom in 2017 uit Irak vertrokken.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Redengevend hiervoor is dat eiser verschillende geboortedata heeft opgegeven, de door eiser overgelegde identiteitskaart is vervalst en eisers nationaliteitsverklaring met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder heeft ook niet geloofwaardig geacht dat eiser een homoseksuele gerichtheid heeft, omdat zijn verklaringen hierover te algemeen van aard zijn en eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving en gedachtes.
4. Eiser voert daartegen aan dat hij zijn identiteit wel aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft niets gewijzigd aan zijn identiteitskaart. De nationaliteitsverklaring uit 2014 die eiser heeft overgelegd betreft een kopiedocument, waardoor het logisch is dat dit document niet als een authentiek document is beoordeeld. Eiser heeft een tweetal originele documenten - een oudere nationaliteitsverklaring en een sportpas - die hij aanbiedt voor onderzoek. Ook heeft eiser een uittreksel van de burgerlijke stand overgelegd ter nadere onderbouwing van zijn identiteit. Verder voert eiser aan dat niet valt in te zien waarom zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is geacht. Eiser vindt het moeilijk om over zijn homoseksuele gerichtheid te praten, vanwege zijn jonge leeftijd, introverte karakter en culturele achtergrond. Ook speelt het verblijf in diverse asielzoekerscentra een rol, omdat een homoseksuele gerichtheid daar niet wordt geaccepteerd door Arabische asielzoekers. Eiser is een paar keer bij het COC in Harderwijk geweest en heeft homoseksuele vrienden. Hij heeft informatie op het internet opgezocht over faciliteiten voor lhbti, de rechten van lhbti in Nederland en hoe in Nederland wordt gereageerd op de lhbti-gemeenschap. Eiser vindt vrouwen niet aantrekkelijk en hij voelt niets voor hen. In de beroepsgronden heeft eiser voorts meegedeeld dat hij sinds enkele maanden een nieuwe vriend heeft, genaamd [naam 3], maar ter zitting heeft eiser verklaard dat deze relatie inmiddels is beëindigd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Identiteit
5. De identiteitskaart en nationaliteitsverklaring uit 2014 die eiser ter onderbouwing van zijn identiteit heeft overgelegd, zijn onderzocht door de Koninklijke Marechaussee (KMar) respectievelijk Bureau Documenten. Uit het onderzoek naar de identiteitskaart door de KMar blijkt dat deze is vervalst. Geconstateerd is dat de identiteitskaart was voorzien van de geboortedatum [geboortedatum] 1995, maar dat het geboortejaar is gewijzigd naar 1999.
Het proces-verbaal van de KMar kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies, waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1980). De enkele verklaring van eiser dat hij niets heeft gewijzigd aan de identiteitskaart biedt geen voldoende concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal. De nationaliteitsverklaring is beoordeeld als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Niet gevolgd wordt dat de nationaliteitsverklaring een kopiedocument betreft, nu dit niet blijkt uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. In het voornemen heeft verweerder ook niet ten onrechte erop gewezen dat eiser een Facebook-account heeft waarbij de geboortedatum [geboortedatum] 1998 is opgegeven. In beroep heeft eiser voorts een uittreksel van de burgerlijke stand overgelegd, waarop de geboortedatum [geboortedatum] 1999 is vermeld. Gelet op de wisselende geboortedata en de uitkomsten van het documentenonderzoek heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat onduidelijkheid bestaat over de identiteit van eiser.
6. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om de door eiser in beroep overgelegde sportpas te laten onderzoeken door Bureau Documenten. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet ten onrechte overwogen dat de sportpas niet voldoet aan de voorwaarden voor identificerende documenten zoals genoemd in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Op de sportpas ontbreekt namelijk de geboortedatum en geboorteplaats van eiser. De in beroep overgelegde nationaliteitsverklaring voldoet wel aan de voorwaarden uit paragraaf C1/4.3 van de Vc. In het verweerschrift heeft verweerder overwogen dat vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om dit document te laten onderzoeken op echtheid. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom de nationaliteitsverklaring er niet toe leidt dat eisers identiteit (alsnog) geloofwaardig wordt geacht. Er is op dit punt dan ook sprake van een motiveringsgebrek.
Homoseksuele gerichtheid
7. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder Werkinstructie (WI) 2019/17. In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid worden onder meer vragen gesteld over een aantal vaste thema’s: het privéleven van de vreemdeling, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen in het land van herkomst, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemeen beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een lhbti-geaardheid maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. Zowel bij het onderzoek als bij de beoordeling houdt verweerder rekening met het referentiekader van de vreemdeling (opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, afkomst etc.). De rechtbank acht deze wijze van beoordeling aanvaardbaar.
8. Uit de besluitvorming blijkt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de persoon van eiser, zoals beschreven in WI 2019/17. Zowel in het voornemen als het bestreden besluit heeft verweerder het referentiekader opgenomen en overwogen wat op grond hiervan van eiser mag worden verwacht. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het gehoor niet is gebleken dat eiser vanwege zijn leeftijd, culturele achtergrond of introverte persoonlijkheid niet in staat was om gedetailleerde antwoorden te geven. Verweerder heeft daarbij ook niet ten onrechte op de verantwoordelijkheid van eiser gewezen om tijdens het gehoor aan te geven dat hij moeite ervaart met het geven van antwoorden op de vragen over zijn homoseksuele gerichtheid.
Conclusie
11. Nu het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, kan het onder rechtsoverweging 6 geconstateerde motiveringsgebrek niet leiden tot een andere uitkomst van het beroep. Eiser is daarom door dit motiveringsgebrek niet in zijn belangen geschaad, zodat aanleiding bestaat om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.
12. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
13. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518
(duizendvijfhonderdachttien euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.