Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-01-12
ECLI:NL:RBDHA:2022:349
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,928 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/7272
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. P. Siemerink).
Procesverloop
In het besluit van 10 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verstrekte vergoeding voor vervoer gewijzigd in een vervoersvergoeding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Met ingang van juni 2020 zal de vergoeding stapsgewijs worden verlaagd van € 79,30 naar € 50,- per vier weken in maart 2021.
In het besluit van 11 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt in elk geval sinds 2004 van verweerder een vergoeding voor zijn vervoerskosten bij gebruik van een eigen auto. De reden hiervoor is gelegen in beperkingen op het locomotoire en psychische vlak, als gevolg waarvan eiser niet adequaat gebruik kan maken van regulier vervoer.
2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat de strekking van de Wmo 2015 is dat er geen vaste vervoersvergoeding meer mag worden toegekend en dat om die reden de vervoersvergoeding van eiser door middel van een pgb zal worden verstrekt. In het bestreden besluit heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers eerdere vervoersvoorziening was toekend in de hoogste categorie. Daarmee valt eiser ook voor de toekenning van de vervoerskosten in het kader van het pgb in de hoogste categorie en heeft hij recht op de maximale vergoeding van € 50,- per vier weken.
3. Eiser voert hiertegen aan dat deze vergoeding te ver af staat van de door hem werkelijk gemaakte vervoerskosten. Hij is door zijn beperkingen geheel afhankelijk van zijn auto. In verband met rugaandoeningen is hij genoodzaakt een hoog scoliose korset te dragen met lange beenbeugels, waardoor hij niet goed kan lopen en staan. Ook mag hij niet zwaar tillen. Verder is sprake van incontinentieproblematiek en een beperkte longfunctie en is eiser lijdende aan een sociale fobie. Eiser heeft als gevolg hiervan een hoge vervoersbehoefte die noodzakelijk is om deel te nemen aan het leven van alledag. Hij heeft geen netwerk dat bereid is hem te helpen bij zijn vervoer. Zijn activiteiten bestaan uit bezoeken aan verschillende winkels en supermarkten (dagelijks meermalen), vrienden (om de dag), Landgoed Meer en Bos (viermaal per jaar), de huisarts (eenmaal per maand), de kaakchirurg (zesmaal per jaar) en de instrumentmaker in verband met het korset dat eiser draagt (veertig maal per jaar).
Bovendien houdt verweerder in de toekenning van de vervoersvergoeding ten onrechte geen rekening met de onderhoudskosten van eisers auto. Omgerekend hanteert verweerder een bedrag van € 0,19 per kilometer en dat is te weinig om de kosten van vervoer en onderhoud van de auto te dekken. De hoogte van het pgb is dan ook niet toereikend.
Het gevolg van het bestreden besluit is dat er geen sprake meer is van een passende bijdrage aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie.
4. De rechtbank komt op grond van de beroepsgronden tot de volgende beoordeling van het geschil.
4.1
Ten aanzien van het beoordelingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist verweerder tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van verweerder niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college, in dit geval verweerder, voldoende kennis dient te vergaren over alle van belang zijnde feiten en omstandigheden alvorens te kunnen besluiten over maatschappelijke ondersteuning. Dit is vaste rechtspraak.
4.2
Dat betekent dat verweerder bij een verzoek tot ondersteuning eerst de inhoud van de hulpvraag moet vaststellen en vervolgens moet onderzoeken welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Daarna moet verweerder bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan die zelfredzaamheid of participatie.
Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, de gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en de voorliggende algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer die mogelijkheden ontoereikend zijn, dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Dit volgt uit de artikelen 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f en 2.3.5, derde en vierde lid van de Wmo 2015.
4.3
Geschil
5. De rechtbank is bij de beoordeling van het geschil van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat uitsluitend de variabele vervoerskosten in het kader van de onderhavige vervoersvergoeding kunnen worden vergoed.
Volgens eiser houdt verweerder in de toegekende vergoeding ten onrechte geen rekening met de onderhoudskosten die samenhangen met autobezit. Deze kosten maken echter nadrukkelijk geen deel uit van de vergoeding die eiser is toegekend.
Uit de door eiser in dit geding overgelegde besluiten van 17 augustus 2021 blijkt ook dat verweerder afzonderlijk een vergoeding kan toekennen – en dat in die besluiten ook doet – voor andere kosten dan vervoerskosten zoals wegenbelasting, autoverzekering, wegenwacht en onderhoud. Voor zover eiser betoogt dat uit deze besluiten moet worden afgeleid dat in de periode in geding onvoldoende tegemoet werd gekomen aan de overige door eiser gemaakte vervoerskosten omdat hij daarvoor in die periode geen vergoeding kreeg, oordeelt de rechtbank dat de vraag of eiser tegelijkertijd al dan niet andere vervoersvergoedingen ontving, niet bepalend is voor de inhoud van de vergoeding voor de variabele vervoerskosten.
5.1
Het feit dat eiser eerder een pgb ontving voor de aanschaf van een auto waarbij tevens de kosten voor onderhoud werden meegenomen, speelt bij de nu ter beoordeling voorliggende vergoeding evenmin een rol, omdat uit die omstandigheid geenszins kan worden afgeleid dat een vergoeding die specifiek ziet op variabele vervoerskosten ook betrekking zou moeten hebben op onderhoudskosten.
5.2
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de onderhoudskosten terecht niet heeft verdisconteerd in de kilometervergoeding.
6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder alle vervoersbewegingen zoals eiser deze heeft opgevoerd, heeft meegenomen in de besluitvorming. Verweerder stelt niet ter discussie dat eiser deze vervoersbewegingen daadwerkelijk maakt, maar is van opvatting dat 3.120 kilometer per jaar toereikend is voor het noodzakelijke vervoer.
Verweerder maakt hierbij onderscheid tussen enerzijds de medisch noodzakelijke en anderzijds de overige vervoersbewegingen. Dit betekent dat – wanneer de medische noodzakelijke afstanden buiten beschouwing worden gelaten – nog 2.450,6 kilometer op jaarbasis overblijft voor de andere reizen.
Naar vaste rechtspraak moet een vervoersvergoeding die neerkomt op een aflegbare afstand in een bandbreedte van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar in beginsel toereikend geacht worden om deel te nemen aan het leven van alledag.
6.1
De rechtbank constateert dat eiser in het onderzoek dat verweerder uitvoerde naar zijn vervoersbehoefte heeft aangegeven negen maal per week naar supermarkten en winkels te gaan op een afstand van 11,8 tot 22 kilometer van zijn woning. Berekend is dat hij hiervoor een totale reisafstand van 11.795,2 kilometer per jaar aflegt. Verweerder heeft gesteld dat alle winkels die eiser bezoekt een filiaal hebben op minder dan 2 kilometer afstand van zijn woning. Eiser heeft dit niet betwist. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt waarom hij voor de grotere afstand van de dagelijkse boodschappen door verweerder gecompenseerd zou moeten worden. Voor zover eiser verwijst naar zijn beperkingen als gevolg waarvan hij niet in staat zou zijn om grote hoeveelheden boodschappen in één keer te doen, stelt de rechtbank vast dat daarmee nog niet is onderbouwd dat de dagelijkse boodschappen om die reden verspreid moeten worden over negen verschillende – en veel verder reikende – vervoersbewegingen.
De rechtbank concludeert dan ook dat eiser niet deugdelijk heeft onderbouwd dat 3.120 kilometer per jaar onvoldoende is voor deelname aan het leven van alledag.
6.2
Anders dan eiser – onder verwijzing naar de stijgende benzineprijzen – stelt, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat een bedrag van € 50,- per vier weken niet toereikend zou zijn om de vervoerskosten van 3.120 kilometer jaar te betalen.
7. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door verweerder vastgestelde 3.120 kilometer per jaar niet toereikend is voor zijn noodzakelijke vervoersbehoefte. De conclusie is dan ook dat verweerder met het vastgestelde pgb een passende bijdrage levert aan eisers zelfredzaamheid en participatie.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Huizenga, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2022.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 en CRvB 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182
Zie bijvoorbeeld CRvB 29 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463.