Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-03-30
ECLI:NL:RBDHA:2022:3040
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,049 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.4559
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[nummer 1], eiser
V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 18 maart 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Op 25 maart 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten.
2. Volgens eiser is het bestreden besluit niet rechtmatig tot stand gekomen zoals bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 omdat daarin geen tijdstip is vermeld waarop de maatregel van bewaring aan eiser is opgelegd. Verweerder heeft het tijdstip van het bestreden besluit neergelegd in een aanvullend proces-verbaal, maar eiser voert aan dat dit niet mogelijk is.
3. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit digitaal is ondertekend en dat het certificaat van de digitale handtekening als tijdstempel bevat: 2022/03/15 09:41. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zowel uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding, het proces-verbaal van gehoor en het aanvullend proces-verbaal (alle ambtsedig opgemaakt op 15 maart 2022) volgt dat eiser op 15 maart 2022 om 09:52 uur in bewaring is gesteld.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop aan de vereisten voor een rechtsgeldig besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring voldaan. De rechtbank kan aan de hand hiervan namelijk nagaan hoe lang de periode van vrijheidsbeneming voorafgaand aan de maatregel van bewaring heeft geduurd zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4512. Daarnaast is niet in geschil dat de maatregel op schrift is gesteld, is ondertekend en aan eiser is uitgereikt.
5. De door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 21 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1207, kan hem dan ook niet baten, omdat daarin volgens de rechtbank sprake was van een maatregel die niet was ondertekend. Bovendien is deze uitspraak vernietigd door de Afdeling bij uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:909.
6. Aan de vraag of het bestreden besluit kon worden aangevuld met een proces-verbaal komt de rechtbank niet meer toe. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting merkt de rechtbank op dat uit de jurisprudentie volgt dat het in algemene zin mogelijk is om een maatregel van bewaring bij proces verbaal aan te vullen (uitspraak van de Afdeling van 16 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2855, rechtsoverweging 2).
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.