Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2022:2654
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,916 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/3082
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoekster,
(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Peeters).
Procesverloop
Verzoekster heeft bij brief van 15 februari 2021 verweerder verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand met een totaalbedrag van €885,06. Deze brief is door verweerder beschouwd als een verzoek om schadevergoeding. Bij brief van 20 april 2021 heeft verweerder het verzoek afgewezen.
Op 20 mei 2021 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de, hierboven bedoelde, geleden schade.
Verweerder heeft bij brief van 7 december 2021 op dit verzoek gereageerd.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van de rechtbank van 10 december 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Nehamed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Op 13 december 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend voor nader onderzoek naar de heffing van griffierecht.
Bij brief van 9 februari 2022 heeft de rechtbank verzoekster meegedeeld dat zij alsnog het griffierecht dient te voldoen.
Bij bericht van 14 februari 2022 heeft de rechtbank meegedeeld voornemens te zijn om uitspraak te doen zonder (verdere) mondelinge behandeling. Partijen hebben niet aangegeven dat zij gehoord willen worden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Griffierecht
1. Voor de behandeling van het verzoek wordt van verzoekster griffierecht geheven. Verzoekster heeft gevraagd om hiervan te worden vrijgesteld en heeft daarbij een beroep gedaan op betalingsonmacht. Volgens landelijke uitgangspunten, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl wordt een dergelijk beroep slechts gehonoreerd wanneer het gezamenlijk inkomen van de verzoeker en diens eventuele fiscale partner lager is dan 95% van een maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande. Gebleken is dat verzoekster over een volledige bijstandsuitkering beschikt naar de norm voor een alleenstaande. Er is niet gebleken van beslagen. Verzoekster heeft met de overgelegde gegevens niet aannemelijk gemaakt dat zij het griffierecht hieruit niet kan betalen. Dat haar financiën worden beheerd door een derde, betekent niet dat zij niet beschikt over het genoemde uitkeringsbedrag.
Verzoek om schadevergoeding
2. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende heeft geleden als gevolg van de aldaar genoemde schadeoorzaken, waaronder een onrechtmatig besluit. Het verzoek wordt ingevolge artikel 8:90, eerste lid, van de Awb schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Het tweede lid van artikel 8:90 bepaalt dat de belanghebbende ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift het betrokken bestuursorgaan schriftelijk vraagt om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
3. De schade waarvan de vergoeding wordt gevraagd betreft kosten van rechtsbijstand gemaakt in de aanvraagfase en/of bezwaar- en beroepsfase van opeenvolgende procedures over aan verzoekster verleende verblijfsvergunningen voor de duur van één jaar.
4. Omdat artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling geeft voor de vergoeding van in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte proceskosten, kan op basis van artikel 8:88 van de Awb geen vergoeding van deze kosten worden gevorderd, ook niet voor zover het proceskosten betreft die niet op grond van artikel 8:75 van de Awb worden vergoed of de vergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb te boven gaan. De rechtsbijstandskosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
5. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage van verzoekster in verband met de door de Raad voor Rechtsbijstand verleende toevoeging. Kosten tot dit bedrag worden beschouwd als voor eenieder gebruikelijk in het maatschappelijk verkeer. Voor zover het verzoek daarnaast ziet op kosten in verband met het inschakelen van de professioneel gemachtigde in de aanvraagfase, geldt dat ook die moeten worden beschouwd als kosten van rechtsbijstand. Dat de gemachtigde stelt dat zij niet zozeer vanwege bijzondere juridische expertise is ingeschakeld, maar meer vanwege het ontbreken van voldoende maatschappelijke vaardigheid, maakt de beoordeling van de in dit verband gemaakte kosten niet anders. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet niet in vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de aanvraagfase. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster haar aanvragen niet zonder professionele hulp van een rechtsbijstandverlener heeft kunnen doen. Niet valt in te zien dat verzoekster niet ook gebruik had kunnen maken van de hulp van anderen. Van belang is verder ook de eigen onderzoeksplicht van het bestuursorgaan bij de beoordeling van een aanvraag op inwilligbaarheid.
6. Overigens merkt de rechtbank nog het volgende op. Verzoekster is in de eerste procedure door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het gelijk gesteld voor wat betreft haar standpunt dat aan haar vergunning had moeten worden verleend voor de duur van vijf jaren. De Afdeling heeft verweerder hierbij veroordeeld in de proceskosten. Daargelaten de vraag of verzoekster in verband met dezelfde rechtsvraag ook in vervolgprocedures kosten van rechtsbijstand heeft moeten maken, heeft zij verzuimd om bij intrekking van haar beroep in de vervolgprocedure te vragen om vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, op 18 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zoals bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:94, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2316, en de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2309, 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4164 en 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2023 (rechtsoverweging 103).
Uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 1 februari 2021, 202002659/1/V2.