Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2022-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2022:2650
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20280 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Kortrijk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.20281, op 18 februari 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Madu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013. Als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Zaaknummer NL20.19891 (niet gepubliceerd). Met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000. Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 9. Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 14. Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 12. Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 12 en 13. 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Kameroense nationaliteit te bezitten. Op 22 december 2019 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 2 april 2020 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft op 24 augustus 2020 dit besluit ingetrokken en eiser alsnog opgenomen in de nationale procedure omdat de overdrachtstermijn inmiddels was verstreken. 2. Bij besluit van 11 november 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 december 2019 afgewezen als ongegrond. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats op 30 april 2021 ongegrond verklaard. Nu eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat het besluit van 11 november 2020 in rechte vast. 3. Op 26 mei 2021 heeft eiser deze opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Hij is in Kameroen betrapt, waarna hij gevangen is gezet. Met hulp is hij vrijgekomen uit de gevangenis. Daarna is hij uit Kameroen gevlucht. 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Homoseksuele geaardheid; Problemen als gevolg van seksuele geaardheid. 5. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder stelt daartoe dat eiser summier, algemeen en niet overtuigend heeft verklaard over (het proces van de ontdekking van) zijn seksuele geaardheid. Daarnaast verklaart eiser oppervlakkig over zijn voormalige relatie met [naam2] in Kameroen en zijn huidige relatie in Nederland. Eiser is weliswaar enigszins op de hoogte van de situatie voor LHBTI’s in Nederland en bezit ook voldoende kennis van de situatie in Kameroen. Deze verklaringen kunnen echter in onderlinge samenhang bekeken niet tot de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid leiden. Tot slot heeft eiser ongeloofwaardig verklaard over de problemen als gevolg van zijn seksuele geaardheid. Eiser kan slechts algemeen verklaren over de gebeurtenissen die hem zijn overkomen nadat hij een keer was betrapt met [naam2], aldus verweerder. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. 6. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt. 7. Eiser voert allereerst aan dat verweerder bij zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de nadere toelichting die eiser in de aanvullingen en correcties en de zienswijze heeft gegeven. Dit volgt de rechtbank niet. 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van de Werkinstructie (WI) 2014/10. In paragraaf 3.2.1.1. van de WI 2014/10 staat vermeld: “Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt.”. Gelet hierop lag het op de weg van eiser om bij zijn (uitgebreide) correcties en aanvullingen een afdoende verklaring te geven waarom volgens hem het rapport van gehoor opvolgende aanvraag (hierna: het rapport) niet klopt. 9. Bij de correcties en aanvullingen heeft eiser als verklaring gegeven dat het hem bijzonder zwaar valt om over zijn seksuele geaardheid en wat hem is overkomen te praten. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij bang was en dat hij een goede vertrouwensband met iemand moet hebben voordat hij over zijn seksuele geaardheid kan verklaren. Deze vertrouwensband heeft hij wel met zijn gemachtigde, wat heeft geresulteerd in uitgebreide correcties en aanvullingen. Deze uitleg heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet dat eiser tijdens zijn gehoor de gelegenheid heeft gekregen om zijn asielaanvraag toe te lichten. Vervolgens zijn tijdens dat gehoor vragen aan eiser gesteld. Uit het rapport blijkt ook dat verweerder op verklaringen van eiser heeft doorgevraagd en dat vragen op andere wijze zijn gesteld. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder daarbij is uitgegaan van een onjuist referentiekader. Uit het rapport blijkt verder ook dat eiser meermaals is gerustgesteld. Dit wordt door eiser niet betwist. Als voorbeeld heeft eiser genoemd dat hij het lastig vond om te verklaren over wat hem in de gevangenis is overkomen. Verweerder heeft echter niet ten onrechte opgemerkt dat eiser juist over deze gebeurtenissen ruim heeft verklaard en dat zijn verklaringen hierover ook niet aan hem zijn tegengeworpen. Dit voorbeeld kan dan ook niet tot een andere conclusie leiden. Eiser heeft voor het overige niet nader onderbouwd waaruit zou blijken dat het rapport niet klopt en dat daarom meer waarde aan de correcties en aanvulling dient te worden toegekend. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in wat eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten door middel van een aanvullend gehoor. De beroepsgrond slaagt niet. 10. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder WI 2019/17. Hierin staat dat aan de hand van vijf thema’s (het privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen, contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst) wordt beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid van de betrokkene uit kan worden gegaan. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemeen beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling – zoals eiser – afkomstig is uit een land waar een LHBTI-gerichtheid maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. Volgens paragraaf 3 van de WI 2019/17 beziet verweerder de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang. Niet alleen wat betreft voormelde elementen en het gewicht dat verweerder hecht aan de beantwoording door de vreemdeling van vragen over één of meer van die elementen, maar ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals de overige verklaringen van een vreemdeling (in de huidige of voorgaande procedure(s)) en door hem verstrekte gegevens. De rechtbank acht deze wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid aanvaardbaar. 11. Verweerder heeft de gestelde homoseksualiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eisers verklaringen oppervlakkig en van algemene aard zijn. Zoals reeds hiervoor is overwogen, blijkt uit het rapport dat de gehoormedewerker herhaaldelijk heeft doorgevraagd over eisers eigen ervaring en persoonlijke beleving van zijn seksuele gerichtheid. Eiser komt met zijn verklaringen echter niet verder dan antwoorden als dat hij blij was om te bemerken dat hij gevoelens kreeg voor jongens. Hij had zichzelf ontdekt. Ook heeft eiser op de vraag of hij kan toelichten wat hij bedoelt met dat het moeilijk voor hem was om zijn relatie geheim te houden, geantwoord dat hij bang was om mishandeld te worden en naar de gevangenis te worden gebracht.