Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2022:2136
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,033 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/1618
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Scholtes)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het naturalisatieverzoek van eiser afgewezen.
Bij besluit van 23 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 24 februari 2022.
Eiser, zijn gemachtigde en H. Salat Mohamed (tolk) waren aanwezig.
Verweerder is niet verschenen, met bericht van verhindering.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over ?
1 Eiser wil Nederlander worden. Daarvoor heeft hij een verzoek ingediend. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat eiser een strafbaar feit heeft begaan. Eiser erkent dat hij het strafbare feit heeft begaan maar is van mening dat verweerder een uitzondering voor hem had moeten maken vanwege de bijzondere omstandigheden rondom het strafbare feit.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep ?
2.1
Eiser vindt dat uit zijn veroordeling niet kan worden afgeleid dat sprake is van een ernstig vermoeden dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid. De aanleiding voor het strafbare feit is dat eiser zijn vader te hulp is geschoten toen die werd beetgepakt door een verslaafde minderjarige neef. Vervolgens zijn vader, neef en eiser, in een schermutseling geraakt en van de trap gevallen. Eiser was ten tijde van het voorval net meerderjarig. De neef is opgenomen in een psychiatrische instelling. De politierechter heeft bij wijze van waarschuwing een geheel voorwaardelijke taakstraf opgelegd van slechts tien uur. Als deze straf in een geldboete zou zijn uitgedrukt (€ 250,-), dan zou dit ruim onder de marge terecht komen. Inmiddels is de proeftijd voorbij. Verweerder had met deze omstandigheden rekening moeten houden.
2.2
Volgens verweerder volgt uit de strafrechtelijke veroordeling dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Het verzoek is conform het beleid afgewezen. Van bijzondere omstandigheden is volgens verweerder geen sprake.
Wat zijn de regels ?
3 Op deze zaak zijn de bepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de Handleiding voor de toepassing van de RWN (Handleiding) van toepassing. In de wet staat dat een verzoek om naturalisatie wordt afgewezen als er ernstige vermoedens bestaan dat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. In de Handleiding staat het beleid omschreven waarin staat wanneer er dergelijke ernstige vermoedens zijn. In de Handleiding staat onder meer dat een naturalisatieverzoek wordt afgewezen als aan de vreemdeling in de periode van, in het geval van eiser, vijf jaar, direct voor het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Met een sanctie wordt onder meer bedoeld iedere taak- of leerstraf.
Wat is het oordeel van de rechtbank ?
4.1
De rechtbank overweegt dat verweerder een naturalisatieverzoek moet afwijzen als op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Het beleid, waarin staat in welke gevallen hiervan sprake is, is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk bevonden. Verweerder moet bij de toepassing van het beleid rekening houden met de individuele omstandigheden van het geval.
4.2
Het staat vast dat eiser op 7 maart 2019 door de politierechter Den Haag is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van tien uur subsidiair vijf dagen hechtenis, onder oplegging van een proeftijd van één jaar, lopend tot 19 maart 2020. De rehabilitatietermijn van vijf jaar gerekend vanaf de datum waarop de uitspraak van de politierechter onherroepelijk is geworden (in dit geval is dat 7 maart 2019) was ten tijde van het bestreden besluit nog niet verstreken. Verweerder heeft het naturalisatieverzoek dan ook terecht afgewezen.
4.3
De door eiser genoemde specifieke omstandigheden over de aanleiding en toedracht van het misdrijf kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Uit de Handleiding en de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter blijkt namelijk dat omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden zouden kunnen gelden, zijn door de strafrechter al bij het oordeel betrokken. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is in het naturalisatieproces geen ruimte voor het (opnieuw) beoordelen van omstandigheden die tot het plegen van het misdrijf hebben geleid Dit betekent dat de bestuursrechter moet uitgaan van het (onherroepelijke) oordeel van de strafrechter. Dat de strafrechter, zoals beweerdelijk is gesteld, zonder rekening te houden met de gevolgen voor de naturalisatieprocedure een lichtere (taak)straf heeft opgelegd dan volgens de normen aan de orde zou zijn en dat deze straf correspondeert met een boete die onder de norm van het naturalisatiebeleid zou blijven kan, wat daarvan overigens ook moge zijn, niet tot een ander oordeel leiden.
4.4
De rechtbank is van oordeel dat van zeer bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken niet is gebleken. Dat de gevolgen van het besluit voor eiser onevenredig zijn, is evenmin gebleken. De ter zitting door eiser gestelde omstandigheid dat het bij gebrek aan een paspoort moeizaam is een visum voor Turkije te krijgen om naar zijn echtgenote, die daar verblijft, te kunnen reizen kan niet als onevenredig bezwarend worden aangemerkt. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat eiser na afloop van de rehabilitatietermijn een nieuw verzoek om naturalisatie kan indienen.
Conclusie
5 De conclusie is dat verweerder het naturalisatieverzoek van eiser terecht heeft afgewezen.
6 Het beroep is ongegrond.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN
Zie paragraaf 1 en 5 van de Handleiding
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3117
Zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, paragraaf 6
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3507
Zie het bestreden besluit, bladzijde 6, alinea 6