Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-02-22
ECLI:NL:RBDHA:2022:1552
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,732 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Spek),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: D.L. Swart).
Procesverloop
In het besluit van 30 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.361,10.
In het besluit van 2 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en de opgelegde boete verlaagd tot een bedrag van € 1.236,50.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft daaraan niet deelgenomen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Met ingang van 2 november 2016 ontvangt eiser een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw), meest recent krijgt hij 50 % van de gezinsnorm aangevuld met een toeslag van 20 %. Dit in verband met een niet rechthebbende partner. Op 17 oktober 2018 heeft er een bestuursrechtelijke controle plaatsgevonden door het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) bij garagebedrijf [bedrijfsnaam] . Daarbij is eiser aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 5 februari 2019. Bij dat onderzoek wordt vastgesteld dat eisers niet-rechthebbende partner sinds 2 februari 2018 werkzaam is bij [uitzendbureau] uitzendbureau te [plaats] . Ook constateert verweerder dat er sprake is van structurele stortingen en bijschrijvingen op eisers bankrekening, waarvoor hij geen met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwde verklaring kan geven. Dit is voor verweerder aanleiding om het recht op bijstand over de periode van l maart 2018 tot en met 31 januari 2019 te herzien en van eiser een bedrag van € 4.916,51 terug te vorderen. Tegen deze herziening en terugvordering heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in het besluit van 27 juni 2019 de terugvordering gecorrigeerd en gereduceerd tot een bedrag van € 4.722,21. Ook hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft eiser op 30 juli 2019 meegedeeld van plan te zijn hem een boete op te leggen. Eiser heeft naar aanleiding van dit voornemen een zienswijze uitgebracht. Die is voor verweerder geen aanleiding geweest om af te zien van de boete. Verweerder heeft ook geen dringende redenen of omstandigheden gezien op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd. Verweerder is uitgegaan van een normale verwijtbaarheid en heeft de boete bepaald op 50 % van het benadelingsbedrag (€ 2.361,10). Verweerder beschikte ten tijde van het primaire besluit niet over financiële informatie van eiser en heeft daarom aanvankelijk geen rekening gehouden met diens draagkracht. 2. Verweerder heeft het bezwaar deels gegrond verklaard en de boete alsnog met inachtneming van eisers draagkracht naar beneden bijgesteld op een bedrag van € 1.236,50.3. Eiser is van mening dat verweerder in zijn besluitvorming niet heeft voldaan aan het vereiste van functiescheiding. Dit vereiste houdt in dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen niet mag worden gemandateerd aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt. Dat staat volgens eiser in artikel 10:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast vindt eiser dat sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel verminderde verwijtbaarheid. Verweerder heeft zijn voormalige partner (mevrouw [A] ) geen boete opgelegd vanwege haar lichamelijke en psychische problematiek. Die omstandigheden hebben ten onrechte geen rol gespeeld bij het bepalen van de mate van eisers verwijtbaarheid. [A] heeft eiser geen informatie gegeven over haar inkomsten, omdat zij er ten onrechte van uitging dat die niet van invloed waren op diens uitkering. Ook kreeg hij geen inzage in haar bankrekening. Eiser heeft hier ook niet om gevraagd, omdat zijn (ex) partner geen recht had op een uitkering. Hij is daarom van mening dat onder deze omstandigheden iedere verwijtbaarheid ontbreekt en dat verweerder hem daarom geen boete had mogen opleggen. Subsidiair is er sprake van verminderde verwijtbaarheid, omdat nooit duidelijk is gemaakt dat de (ex)partner loonstroken moest overleggen, eiser niet de informatie van haar kreeg die voor verweerder noodzakelijk was en hij het zwaar had met de psychische problemen van zijn (ex)partner.4. De rechtbank beoordeelt het beroep als volgt.4.1 Wanneer een belanghebbende zijn inlichtingplicht niet of niet behoorlijk nakomt, is verweerder verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag. Dat staat in artikel 18a, eerste lid, van de Pw. Voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op. Dat staat in artikel 5:41 van de Awb.4.2 Volgens vaste rechtspraak moet het bestuursorgaan bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht feiten stellen en, voor zover betwist, aantonen dat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. In het kader van de boete dient een zelfstandig oordeel over die schending te worden gegeven.4.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder op te geven dat zijn (ex) partner met ingang van 2 februari 2018 aan het werk is gegaan en dat zij daarmee geld heeft verdiend. 4.4 Eisers meest verstrekkende beroepsgrond is dat verweerder bij zijn besluitvorming niet het vereiste van de functiescheiding in acht heeft genomen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de bevindingen van het bijzonder onderzoek zijn vastgelegd door medewerker afdeling Bijzonder Onderzoek A.P.W. de [A] (rapportage HEIT van 7 januari 2019). De rapportage Boete van 13 september 2019 is opgemaakt door medewerker [B] Het boetebesluit van 30 september 2019 is in mandaat genomen door [C] ., manager afdeling Coaching en Kwaliteit. Dat is iemand anders dan degene die de rapportage Boete heeft geschreven. In zoverre is er dus sprake van functiescheiding. Maar ook al zou [B] wel feitelijk het besluit hebben genomen, wordt dit niet anders, nu hij het daaraan voorafgaande onderzoek niet heeft gedaan. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel. 4.5 Hetzelfde geldt voor eisers grond dat er in zijn geval sprake was van ontbreken van verwijtbaarheid dan wel verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen en ook moeten zijn dat de werkzaamheden van zijn (ex) partner en haar verdiensten van invloed waren op zijn recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenplicht vast. De stelling van eiser dat hij van zijn (ex) partner geen informatie wist te krijgen, maakt dit niet anders. In het kader van het bijzonder onderzoek heeft mevr. [A] verweerder inzage gegeven in haar verdiensten. Zo heeft verweerder ook het benadelingsbedrag kunnen berekenen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser die informatie niet zelf al eerder van zijn (ex) partner heeft kunnen krijgen en aan verweerder door heeft kunnen geven. Eiser heeft ook zelf aangegeven dat hij zijn (ex) partner niet heeft gevraagd om bankgegevens in te zien, omdat zij geen recht had op een uitkering. Derhalve is geen sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde omstandigheden ook geen aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.4.6 De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder eiser aanvankelijk een boete heeft opgelegd van € 2.361,10. In bezwaar heeft verweerder deze bijgesteld tot een bedrag van € 1.236,50. Verweerder is daarbij terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid, waardoor de boete niet hoger kon worden vastgesteld dan op 50 % van het benadelingsbedrag. Met de evenredigheidstoets in het achterhoofd heeft verweerder vervolgens de redelijke termijn waarbinnen de boete moet kunnen worden afgelost terecht op 12 maanden vastgesteld. De hoogte van de maandelijkse aflossing heeft verweerder toen, overeenkomstig de toenmalige beslagvrije voet, bepaald op 10 % van de bijstandsnorm (twaalf maal 10 % van de voor eiser geldende norm van € 1.030,42). 4.7 De beslagvrije voet is echter, met de inwerkingtreding op 1 januari 2021 van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet van 8 maart 2017 (Stb. 2017, 110), inmiddels verhoogd tot 95 % van de geldende bijstandsnorm. Dit betekent dat bij de afstemming van de boete op eisers draagkracht inmiddels rekening moet worden gehouden met een voor beslag vatbare ruimte van 5 % van de toepasselijke bijstandsnorm.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2020, voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 1.236,50;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, in die zin dat de boete wordt bepaald op een bedrag van € 655,03;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 48,-, vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2022.
Griffier
rechter
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak mee te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 oktober 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:2616
zie de uitspraak van de CRvB van 26 april 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:953