Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-09-27
ECLI:NL:RBDHA:2022:15220
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 22/2859, 22/2862 en 22/3910
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 september 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] N.V., uit [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. G.P. Roth),
en
de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 3 december 2021 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd (hierna: het dwangsombesluit). Bij afzonderlijk besluit van 3 december 2021 heeft verweerder besloten het dwangsombesluit openbaar te maken (hierna: openbaarmakingsbesluit I).
In het besluit van 19 april 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de besluiten van 3 december 2021 ongegrond verklaard (hierna: besluit op bezwaar). Bij afzonderlijk besluit van 19 april 2022 heeft verweerder besloten het besluit op bezwaar openbaar te maken (hierna: openbaarmakingsbesluit II).
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekster heeft tegen het openbaarmakingsbesluit II bezwaar gemaakt en daarbij verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft daarmee ingestemd. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen (SGR 22/2859 en SGR 22/2862).
In het besluit van 28 april 2022 heeft verweerder besloten tot invordering van de door verzoekster verbeurde dwangsom (hierna: het invorderingsbesluit).
In het besluit van 27 juni 2022 heeft verweerder besloten het invorderingsbesluit openbaar te maken (hierna: openbaarmakingsbesluit III).
Verzoekster heeft tegen het openbaarmakingsbesluit III bezwaar gemaakt en daarbij verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft daarmee ingestemd. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR22/3910).
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft een vergunning voor het aanbieden van online kansspelen. Verweerder heeft aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij vindt dat verzoekster de Wet op de kansspelen in samenhang met het Besluit kansspelen op afstand overtreedt. Het gaat om een doorklikmogelijkheid op de website naar een webpagina met de vestigingen van verzoekster. Verweerder vindt dat verzoekster hiermee op de website voor online kansspelen reclame- en wervingsactiviteiten voor (activiteiten in) de vestigingen van [verzoekster] toestaat, terwijl de wetgever uitdrukkelijk heeft verboden dat op een pagina waar online kansspelen kunnen worden gespeeld voor andere goederen of diensten wordt geworven of reclame wordt gemaakt. Verzoekster dient de overtreding binnen zeven dagen na dagtekening van het dwangsombesluit te beëindigen. Volgens verweerder heeft verzoekster zich niet gehouden aan de opgelegde last en heeft de daardoor verbeurde dwangsom ingevorderd.
3. Verweerder heeft besloten het dwangsombesluit, het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar en het invorderingsbesluit openbaar te maken. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de besluiten niet openbaar mogen worden gemaakt tot de bestuursrechter op het tegen die besluiten gemaakte (rechtstreeks) beroep heeft beslist.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de openbaarmaking van het dwangsombesluit (SGR 22/2859) en het besluit op bezwaar (SGR 22/2862)?
4. De vraag of het dwangsombesluit en het besluit op bezwaar openbaar mogen worden gemaakt hangt samen met de beoordeling of verweerder terecht een last onder dwangsom aan verzoekster heeft opgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich in dit geval echter niet voor die beoordeling. De voorzieningenrechter zal dan ook alleen beoordelen of het belang van verzoekster bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen opweegt tegen het algemeen belang van verweerder bij afwijzing daarvan. Daarbij komt aan het algemeen belang een groot gewicht toe.
5. Verzoekster heeft in dat kader betoogd dat de openbaarmaking van het dwangsombesluit en het besluit op bezwaar diffamerende werking heeft. Dit geldt volgens verzoekster nog meer aangezien zij een staatsdeelneming is en de besluiten extra aandacht van de pers zullen krijgen.
6. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het dwangsombesluit is genomen in het kader van een aan verweerder door de wetgever toegekende taak om toezicht te houden op de naleving van regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. Het past in het kader van deze toezichthoudende taak dat dwangsombesluiten worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak en de consument wordt gewaarschuwd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er een preventieve werking uitgaat van openbaarmaking van de besluiten. Verweerder heeft er ook in redelijkheid op kunnen wijzen dat de omstandigheid dat verzoekster een staatsdeelneming is, openbaarmaking van de besluiten juist relevanter maakt. Het is daardoor controleerbaar dat in de handhaving geen onderscheid wordt gemaakt tussen staatsdeelnemingen en private ondernemingen. Daarbij komt dat verzoekster als staatsdeelneming een voorbeeldfunctie heeft. Ook heeft verweerder kenbaar gemaakt dat bij de publicatie van besluiten altijd wordt vermeld of er rechtsmiddelen tegen de besluiten zijn of nog kunnen worden ingesteld. Daardoor is het voor derden duidelijk in hoeverre de besluiten door de bestuursrechter zijn beoordeeld en onherroepelijk zijn. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat verzoekster niet concreet heeft gemaakt in welke mate zij daadwerkelijk wordt benadeeld door openbaarmaking van de besluiten. Gelet hierop heeft verweerder in dit geval de door haar gestelde belangen bij openbaarmaking van de besluiten zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekster om geen nadeel te ondervinden als gevolg van openbaarmaking van de besluiten.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dwangsombesluit niet evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter ziet gelet op voorgaande ook geen aanleiding voor het oordeel dat de openbaarmakingsbesluiten I en II evident onrechtmatig zijn.
8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken ten aanzien van de openbaarmaking van het dwangsombesluit en besluit op bezwaar af.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de openbaarmaking van het invorderingsbesluit (SGR 22/3910)?
9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen belang heeft bij de gevraagde voorziening ten aanzien van de openbaarmaking van het invorderingsbesluit. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat zij in de begeleidende brief bij openbaarmakingsbesluit III al heeft medegedeeld de openbaarmaking van het invorderingsbesluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter op de verzoeken ten aanzien van de openbaarmaking van het dwangsombesluit en het besluit op bezwaar heeft beslist. Verder heeft verweerder gesteld dat het vanzelfsprekend is dat bij toewijzing van de verzoeken de openbaarmaking van het invorderingsbesluit eveneens wordt opgeschort.
10. Uit voorgaande is gebleken dat de verzoeken ten aanzien van de openbaarmaking van het dwangsombesluit en het besluit op bezwaar worden afgewezen. Deze besluiten mogen door verweerder daarom openbaar worden gemaakt. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoekster wel belang heeft bij de beoordeling of ook het invorderingsbesluit openbaar mag worden gemaakt.
11. In navolging van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder het algemeen belang bij openbaarmaking van het invorderingsbesluit eveneens zwaarder heeft mogen achten dan het belang van verzoekster daartegen. Ook ten aanzien van het invorderingsbesluit en openbaarmakingsbesluit III ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat deze evident onrechtmatig zijn.
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek ten aanzien van de openbaarmaking van het invorderingsbesluit af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201.
Uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:690.
Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2021, SGR 21/7982.