Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2022:13973
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,633 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8845
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Rietveld).
Procesverloop
In het besluit van 10 mei 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-aanvraag) afgewezen.
In het besluit van 20 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 23 november 2022 een aanvullend besluit genomen, waartegen dit beroep van rechtswege ook gericht is.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2022 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1955 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij haar meerderjarige zoon [A] (referent), haar schoondochter en kleinkinderen in Nederland. Referent verblijft met een asielvergunning in Nederland, en zijn partner en kinderen zijn op 13 juli 2022 nagereisd.
2. Verweerder heeft die mvv-aanvraag in het primaire besluit afgewezen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd. Dit omdat volgens verweerder tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van het vertrek van referent en zijn gezin niet zelfstandig kan functioneren. Alhoewel verweerder tussen eiseres en haar kleinkinderen wel hechte en persoonlijke banden aanneemt, wegen hun belangen bij familie- en gezinsleven minder zwaar dan de (economische) belangen van de Nederlandse staat.
Dit leidt tot de conclusie dat daarom tussen hen geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Gelet op recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder in het aanvullend besluit – alhoewel hij tussen eiseres en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aanneemt – alsnog een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM uitgevoerd. Daarbij heeft verweerder het belang van eiseres en haar gezinsleden bij toewijzing van de aanvraag afgewogen tegen het (economische) belang van de Nederlandse staat en geconcludeerd dat die belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat verweerder ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aanneemt tussen haar en referent. Eiseres kampt namelijk met zowel lichamelijke als psychische klachten, en is zowel voor praktische zaken als financieel en emotioneel afhankelijk van haar zoon en zijn gezin. Verweerder heeft onvoldoende de hoge leeftijd van eiseres, haar verslechterde gezondheidssituatie en de slechte veiligheidssituatie van Jezidi’s in Irak betrokken in de beoordeling. Bovendien wordt ten onrechte gesteld dat haar andere getrouwde zoon en haar twee eveneens getrouwde dochters in Irak voor haar zouden kunnen zorgen, nu haar andere zoon de dagelijkse zorg voor zijn twee gehandicapte kinderen heeft en haar twee dochters met hun eigen gezinnen onder zware omstandigheden in een ander tentenkamp verblijven. Verder is eiseres analfabeet, heeft zij nooit gewerkt en heeft zij altijd bij referent en zijn gezin gewoond, van wie zij dan ook afhankelijk is. Na hun vertrek is niet langer sprake van stabiele mantelzorg. Verweerder had daarom, ook gelet op de uitspraak van zittingsplaats Middelburg van 14 juli 2016, de mvv-aanvraag moeten inwilligen. Verweerder heeft onvoldoende op de uitgebreide verklaringen van eiseres in haar bezwaargronden gereageerd, wat in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Ook vindt eiseres dat de belangen van haar kleinkinderen onvoldoende zijn meegewogen, nu zij hun oma missen en dit negatieve consequenties zal hebben voor hun ontwikkeling. Verweerder had gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval van eiseres, in afwijking van zijn beleid toch haar aanvraag moeten inwilligen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
4. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of tussen eiseres en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hiervan in het geval van eiseres en referent geen sprake is, en overweegt daarover het volgende.
4.1
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het al dan niet bestaan van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ tussen een meerderjarig kind en diens ouder(s) in essentie een kwestie van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen zoals financiële of materiële afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden van belang zijn. Verweerder mag hierbij zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Verder volgt uit eveneens vaste rechtspraak dat verweerder daarbij de vraag mag betrekken of de banden tussen een vreemdeling en een referent zo sterk zijn dat de vreemdeling zonder de referent niet in staat is om zelfstandig te functioneren.
4.2
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar sinds het overlijden van haar man met het gezin van referent heeft samengewoond, maar dat niet is gebleken dat eiseres in haar dagelijkse behoeften exclusief afhankelijk is van referent en zijn gezinsleden. Eiseres heeft zich namelijk na het vertrek van referent - en later zijn gezin - zelfstandig staande kunnen houden. Bovendien wonen nog drie van haar kinderen in Irak, waarvan één (haar andere zoon met zijn gezin) in hetzelfde vluchtelingenkamp. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de medische situatie van eiseres zodanig is, dat zij zich hierdoor niet zonder referent en zijn gezin zou kunnen staande houden. Niet in geschil is dat zij suikerziekte en psychische klachten heeft. Voor de suikerziekte is zij in Irak onder behandeling. Dat zij sterk beperkt is en afhankelijk is van mantelzorg is echter niet aannemelijk gemaakt. Nu eiseres - ook in de beantwoording van verweerders schriftelijke vragen - niet heeft gespecificeerd welke hulp (medisch) noodzakelijk zou zijn, heeft verweerder gelet op dit alles niet hoeven volgen dat eiseres hulpbehoevend is en specialistische thuis-/mantelzorg nodig heeft, dan wel dat juist referent en/of zijn gezin die hulp zou moeten bieden. Ook het beroep van eiseres op de uitspraak van rechtbank Middelburg van 14 juli 2016 doet aan het voorgaande niet af. Anders dan in het geval van eiseres werd in die zaak wel aangenomen dat de vreemdelinge voor haar functioneren volledig afhankelijk was van zorg (van buren) en er ook een reële kans bestond dat die zorg wegviel.
4.3
Wat betreft de financiële ondersteuning door referent overweegt rechtbank het volgende. In de beroepsgronden is vermeld dat referent niet langer in staat is om eiseres financieel te ondersteunen, nu hij bijstand ontvangt. Voor zover wel gevolgd zou worden dat referent eiseres financieel ondersteunt, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die financiële ondersteuning ook vanuit Nederland kan worden voortgezet. Bovendien is dergelijke financiële ondersteuning gangbaar tussen ouders en kinderen en blijkt uit de verklaringen van referent dat ook kinderen van de broer van eiseres vanuit Duitsland financiële ondersteuning bieden. Ook de veiligheidssituatie in Irak leidt niet tot een ander oordeel. Daarover heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet duidelijk is waarom eiseres voor haar veiligheid specifiek van referent en zijn gezin afhankelijk zou zijn en dat asiel gerelateerde omstandigheden niet in een reguliere aanvraag aan bod (kunnen) komen.
4.4
De enkele niet nader onderbouwde stelling dat verweerder onvoldoende op de verklaringen van eiseres in haar bezwaargronden heeft gereageerd - wat in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel - volgt de rechtbank niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 juli 2016 (AWB 16/4573)
Als opgenomen in artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:695, en 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758.
Als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.